logon



PROF. DR. TON LATHOUWERS - DE BETEKENIS VAN DOSTOJEWSKY VOOR ONZE TIJD

Een lezingencyclus gehouden op een studieconferentie georganiseerd door de Vereniging van Orthodoxen 'H. Nikolaas van Myra' op 3, 4 en 5 november 1988.



HET FALENDE "IK"

Deel 1 van de lezingencyclus "De betekenis van Dostojewsky voor onze Tijd".

Voor ik met de lezing begin wil ik zeggen dat de geest en het denken van de Orthodoxe Kerk, ook wat haar kritiek op vele uitingen van het westers christendom betreft, mij altijd zeer aanspreken en in feite uitdrukking geven aan een groot deel van mijn eigen gevoelen. Dit geldt ook voor een aantal personen binnen die kerk, zoals Dostojewsky, over wie ik vanavond zal praten.

De algemene titel van de lezingen die ik ga houden, namelijk "De betekenis van Dostojewsky voor onze tijd" noopt mij het geheel te verdelen in drie segmenten. Dat kan de indruk geven dat het gaat om drie aparte onderwerpen: 1) het falende ik; 2) de vrijheid; 3) de religie. Voor Dostojewsky waren ze echter drie aspecten van eenzelfde gebeuren. In zijn werken worden ze altijd in samenhang met elkaar behandeld. In een en dezelfde tekst komen vaak alle aspecten aan bod.

Ik zeg dit om duidelijk te maken dat een verdeling of onderverdeling, een schematisering - maar we niet aan ontkomen - kunstmatig is en te kort doet aan het eigenlijke van Dostojewsky's religieuze ervaring. Wij ontkomen niet aan een indeling, als wij een onderwerp willen uiteenzetten. Ik hoop echter dat wij door die indeling heen zien en het merkelijke geheel blijven zien, maar dat Dostojewsky in zijn werken om gaat. Hij trachtte te laten zien dat voor hem de kern van de religie was en wat hij beleefde in de Orthodoxie en in deze beleving tamelijk eenzaam was.

Dostojewsky's werken riepen kritiek op van vele personen, ook van kerkelijke instanties. Bijvoorbeeld van Leontev, een schrijver die naderhand monnik is geworden en een van de weinigen was die zich positief uitlieten over het westers christendom, met name over de Rooms-katholieke Kerk, maar ook van iemand als Pobjedonostsev, die aan het hoofd stond van wat men nu het Ministerie van Godsdienstzaken noemt en die Dostojewsky verweet dat hij te zeer zijn eigen gang ging en zich te weinig een trouw onderdaan van de kerk toonde.

Dostojewsky bleef een randfiguur, een grensganger, maar vertederde altijd door zijn christelijke geaardheid, door de omstandigheid dat wat hij schreef naar inhoud christelijk, ja orthodox in de ware zin van het woord was. De grootste kritiek kreeg hij van die horde van intellectuelen die het überhaupt niet meer zag in de religie.

Daar zal ik dan verder op ingaan om te trachten Dostojewsky in het juiste licht te zetten en duidelijk te maken wat voor hem het "ik" was. Het is makkelijk te spreken over "het falende ik", maar dit noodzaakt ons te definiëren wat het voor hem, met zijn specifieke aard, in het Rusland van zijn tijd das, om dan na te gaan, voor zover dat mogelijk is, wat het voor ons betekent. Want wat ervoer Dostojewsky als beklemming, als de "ik" die doorbroken moet worden, is dat de "ik" waar ook wij aan lijden? Elke cultuur heeft haar eigen facetten van het "ik". In elke cultuur, in elke gemeenschap vormt zich een skelet, een cocon waarin wij gevangen raken, door opvoeding, door gewoonte, door traditie, door vooroordelen, door zelfingenomenheid, door ons denken, door onze wil, door alles wat ons isoleert van het onnoembare.

De betekenis van Dostojewsky is dat hij, honderd jaar geleden, met een zeer grote intu´tie voorvoelde dat de verstarring van het "ik" in onze eeuw zou inhouden, de verstarring waar hij zelf aan leed, maar eenieder in zijn tijd en in onze tijd aan lijdt. Met Kierkegaard en Nietzsche - laatstgenoemde kon de christelijke weg niet gaan, maar schreef op onthullende wijze over de verstarring, ook de religieuze verstarring - behoorde Dostojewsky tot de weinigen die dit voorzagen.

Het boeiende van Dostojewsky is voor mij steeds weer de samenhang die hij zag tussen de actuele ontwikkelingen in zijn tijd, een eeuw vˇˇr de moderne cultuurpsychologie. Han Fortmann, bij wie ik in Nijmegen cultuurpsychologie studeerde, was ook iemand die zeer getroffen werd door wat er leefde in de Orthodoxie en daar voorbeelden van aanhaalde in zijn werk, die geconfronteerd werd met vragen als: Wat is religieuze ervaring? Wat is er met de ontwikkeling van de mens aan de hand? Wat is die verstarring? Honderd jaar geleden was het Dostojewsky die de beklemming, de dood die uitgaat van een alleen-bij-de-cultuur-blijven, aanvoelde.

Laten we opnieuw zien naar zijn leven, zodat duidelijk wordt dat het geen theorie is, geen ontdekking die hij opdoet door theologie te studeren of boeken te lezen, maar dat hij zijn kop stoot en op een zeer pijnlijke wijze ervaart wat het is afgebroken te worden en door een grens heen te breken. Daarom een terugblik op zijn jeugd en zijn tijd.

Vanaf 1812 wordt Rusland overstroomd door invloeden van het westen: westerse filosofie en wetenschap, gekenmerkt door het positivisme en door nationalisme, door het overheersen van de logica, Deze ontwikkeling heeft haar eigen achtergronden, maar een feit was dat het merendeel van de jongere Russische intellectuelen - kinderen van ambtenaren, priesters etc. - zo getroffen was door wat overwaaide uit het westen, dat het de eenzijdigheid daarvan niet zag. De jongeren dachten het leven te kunnen veranderen, de wereld te kunnen veranderen op basis van de logica, van het denken, vanuit hun eigen benadering. In die wereld ontdekte Dostojewsky zijn eigen weg.

Hij studeerde voor ingenieur, raakte be´nvloed door het denken van zijn tijd en kreeg de overtuiging dat daarin de redding lag, zoals velen destijds. Hij werd lid van een politieke groep, waarbinnen athe´stische lectuur werd gelezen en eveneens opruiende politieke lectuur. Dan gebeurt een aantal dingen dat hem schokt en hem de ogen opent. De groep wordt verraden en de leden ter dood veroordeeld. Vastgebonden aan de executiepaal en geblinddoekt, werden de betrokkenen vlak voor de executie losgemaakt en naar Siberië verbannen. De executie blijkt achteraf een dreigement te zijn geweest.

Dostojewsky heeft de laatste momenten voor de executie beleefd. Hij schrijft daar enige malen over in zijn boeken, over de ervaring wat - vlak voor de dood - het leven is; hij schrijft erover met een ongekende helderheid en vitaliteit, voor het eerst, zo schrijft hij, ervoer ik het leven; dat ik tot dan toe gedaan had was erover redeneren. Ik zat gevangen in mijn eigen denken. Ik dacht dat ik het leven kende, maar wat ik wist waren ideeën over het leven, louter een bewustzijn van het leven. Door de schok van het gebeuren verliest hij het vertrouwen in de wereld, in de gedachten die anderen en hij hadden gevormd vanuit hun "ik".

In Siberië, alleen, zonder boeken met uitzondering van het Evangelie, en rondom zich mensen die amper kunnen lezen en schrijven - misdadigers, moordenaars, verkrachters - ontdekt hij dat juist die mensen iets bewaard hebben dat voor hem dood is. Hij noemt dat dan religie, maar schrijft aan zijn broer Micha´l: Ik weet eigenlijk niet wat het is, dat religieuze, maar ik ontdek dat zij, die misdadigers, als zij ter communie gaan, als ze bidden, iets uitstralen ondanks hun verleden. Ze zijn geworteld in iets dat ik niet meer ken. Mijn God, wat is er met ons intellectuelen gebeurd? En waarom kan ik daar niet bij, ondanks dat heldere besef van het leven vlak voor mijn executie? Wat staat mij nog in de weg? Waarom zit ik nog vast?

Vier jaren leeft hij daar met die oneindige horizon, waar hij naar kijkt; met het Evangelie, de Bergrede waar hij telkens naar teruggrijpt; met die mensen om hem heen die hem aan het denken zetten en steeds meer doen twijfelen aan alles dat hij tot nu toe was. En dan ontdekt hij dat hij epilepticus is en ook dat hij vlak voor een epileptische aanval zeer heldere momenten heeft. Hij weet daar geen raad mee. Hij komt daar ook in zijn boeken telkens op terug. Wat is dat? Logischerwijs moet ik zeggen dat het een gevolg is van mijn ziekte. Ik ben epilepticus. Elke medicus kan dat constateren. Die momenten worden dus kennelijk door een ziekte opgeroepen. Maar toch, de helderheid van die momenten geven mij de indruk dat ik dicht bij het leven zelf ben. Zo'n moment duurt een fractie van een seconde, maar is zo gekenmerkt door helderheid. Ik weet dat het voor een deel wordt opgeroepen door mijn ziekte, maar wat ik ervaar is voor mij redding, openheid, verlossing.

Later zal Myshkin in de roman "De Idioot" - Myshkin is zelf epilepticus - zeggen: Tegen alle logica en alle verklaringen van artsen in, maak ik dat gebeuren los uit alle causaliteit. Ik keek, ik keek naar buiten. Het naar buiten kijken was voor mij overtuigender dan alles dat ik eerder meemaakte.

Dostojewsky leeft voort in Siberië. Hij leert een vrouw kennen die erg hysterisch is. Zij is getrouwd, Dostojewsky, die zelf onevenwichtig is, wordt verliefd op haar, en als haar man sterft, trouwt hij haar. Ten slotte keert hij terug naar het westen van Rusland en schrijft dan: opnieuw begin ik met literatuur, maar nu zal ik anders schrijven. Eindelijk, door dat ik meegemaakt heb, zal ik het religieuze kunnen uitdrukken, Want wat ik schrijf, komt van binnenuit, vanuit mijn hart. En hij gaat schrijven en dat komt eruit? Precies hetzelfde wat hij vroeger schreef. Er is geen verandering, geen ommekeer, geen breuk, geen doorbraak. Het nieuwe boek - verhalen in de trant van Dickens - wordt nog afgekraakt ook. Dan is zijn ontreddering heel groot.

Wat heb ik geleerd van die heldere momenten die mij zo schokten, de executie, de epilepsie, de jaren Siberië, mijn eenzaamheid, het Evangelie? Zijn vrouw ligt intussen op sterven. Hij leert een andere vrouw kennen, die hem de donkere kanten van zijn ziel toont, ook op erotisch gebied. Apollinaria Saeslova, een ongemeen boeiende maar dreigende vrouw, een femme fatale, met wie hij een hartstochtelijke relatie begint. Hij ontdekt dat hij verslaafd is aan het gokspel. Hij maakt vreselijke schulden en heeft wereldbeschouwelijk geen enkele zekerheid meer. Hij ervaart: die momenten hebben mij niet geholpen. Hij zit op een zolderkamer, volkomen vertwijfeld, en op dat moment - zonder een lichtflits, zonder iets aanwijsbaars - breekt het door!

Eindelijk kan hij schrijven. En dan schrijft hij het eruit, in één ruk, in één hijg. Hij zegt dat ook letterlijk: Dit boek "Herinneringen uit het ondergrondse" uit het diepverstokene in mij, waarin ik opgesloten zat en eigenlijk nog zit, breekt naar buiten en nu moet ik het kwijt, Het is een roman, maar een roman met een grote wereldbeschouwelijke geladenheid. Als het ware in één aanval, één verzet tegen dat hij noemt de muur van de logica, de neiging om altijd weer - of het nu filosofie betreft of theologie - vanuit mijn verstand, mijn ge´soleerdheid met haar vooroordelen en begrippen, een constructie te maken en te trachten de wereld daarin te vangen, tot men daarin stikt.

Voor die opstand heeft Dostojewsky amper een taal. Wat het in feite is dat hij ontdekt heeft, daar heeft hij ook geen taal voor, maar hij schrijft aan zijn broer Micha´l (en dat is ons enige houvast): De zwijnen van de censuur (ook toen!) verboden mij de conclusie te trekken die voor mij de enige is, die voortkomt uit mijn ontreddering en mijn doorbraak. Christus, het religieuze, God, de onsterfelijkheid - wat ik ervaar kan ik nooit onder woorden brengen. Ik mocht het boek niet schrijven. Men vond het pervers. Men vond het verwijzen naar aan christelijke uitweg, naar een religieuze oplossing blasfemie. Daarom mist het boek, in de vorm waarin het voor ons ligt, wat ik had willen uitdrukken.

En toch ligt in het boek de eigenlijke kern besloten van het onderwerp van vanavond: "het falende ik", het altijd doodlopen van onze logica, de muur van twee maal twee is vier, onze zekerheden en onze natuurwetten, onze psychologische wetten, onze trucs, onze mechanismen, onze egotripperij. In zijn boek duidt hij dat ook met het woord "volja" aan, een woord dat, helaas, vaak met "wil" wordt vertaald, maar dat ook "vrijheid" betekent. Een woord dat heel dicht ligt bij woorden als verlossing, losraken, bevrijding, innerlijke bevrijding. Wat Dostojewsky ervaart, en wat hij moet uiten is iets dat hij aanvoelt en toch niet kan verwoorden. Dat is het dat nu in mij leeft, dat is het dat mij doet schrijven. Als wij dit in bijbelse termen zouden vertalen, zouden we kunnen zeggen, evenals Paulus: Het is niet meer "ik", maar Christus in mij. Of zoals Dostojewsky het zegt, met een verwijzing naar de Apocalyps: het is niet meer mijn ge´soleerde ik, maar het zijn de "fonteinen van levend water".

Wat is het dat mij, in mijn omstandigheden, in mijn cultuur, zo geblokkeerd deed raken? Waarom moest er zo verschrikkelijk veel gebeuren voordat de doorbraak kon plaatsvinden? Waarom moest ik zo geschokt, worden, ontworteld worden, geslagen worden afgebroken worden, voordat de doorbraak er kwam?

Vanaf die moment zal Dostojewsky niet ophouden dit thema in allerlei vormen aan de orde te stellen. Wat is dit "ik" voor mij, waarin ik opgesloten zat over zo'n lange tijd? Vlak voor zijn dood zal Dostojewsky schrijven: Mijn enige thema is geweest - laat ik het aarzelend noemen - het bestaan van God en de onsterfelijkheid, dat waar ik geen naam voor weet. Noem het de schoot van de eeuwigheid, noem het de bron van levend water, noem het - zoals hij soms zegt - een ethisch beginsel, een esthetisch beginsel, een mystiek beginsel. Ik heb er geen naam voor, maar mijn hele leven is het dàt geweest, en mijn schrijven is het openhouden van de wond en voorkomen dat de korst weer om mij heen groeit.

Vorige week las ik in de krant van een Nederlandse dichter (het had Dostojewsky kunnen zijn): Elke dag moet ik roeren in de wond van mijn ziel. Als ik dat niet doe, dan is de wond binnen een week bevroren en met een dikke ijslaag bedekt. Dan leef ik verder met eelt op mijn ziel, en dat is het ergste dat een mens kan overkomen.

Dostojewsky's oeuvre is niet zozeer een willen getuigen, een willen overtuigen, maar willen zeggen: - hij schrijft dat in zijn boek "Herinneringen uit het ondergrondse" - Ik ben een "ecce homo". Zie, hier ben ik, verminkt, kapot, onmogelijk, voor mijn part met perversiteiten, onmogelijkheden in mijzelf, maar ik zal daarvan getuigen en zo mijn leven openhouden. Hij zegt ook: Mijn enige taak ia nu - omdat ik ontdek dat het niet alleen mijn ziekte is, maar de ziekte van elk mens; zeker in mijn cultuur, in Rusland nu, zie ik mensen op deze manier aan hun "ik" lijden - mensen makker maken, zeggen waar het op aankomt. Hopen dat ik met mijn hele oeuvre ertoe bijdragen kan dat anderen eenzelfde doorbraak ontdekken als die mij uiteindelijk gered heeft, op allerlei manieren.

Ik zal een paar voorbeelden noemen van dat "ik", wat is dat 'ik"? Soms wijst Dostojewsky vooral - ik heb dat zoëven betoogd - op de logica, de trucs die wij gebruiken vanuit onszelf. In "De Gebroeders Karamazov" laat hij iemand duidelijk iets zeggen over "ik" als isolatie. Het is wonderlijk dat in de Russische theologie, vooral de theologie die ontstond buiten de officials kerkelijke instanties - ik noem onafhankelijke denkers zoals Kirsavin, Chomjakov, Kirievsky - toen al het gevaar beseft werd van de westerse invloeden, en de vraag rees: Wat is het dat ons doet verschillen van het westers christendom? Men verwees dan vaak naar het begrip van de "vse-edinstvo", de al-eenheid.

Men had verschrikkelijk veel moeite met het uit elkaar rukken, het dualisme van het westen: God en schepping, veel meer één dan de westerse theologie het uitdrukt . Ziel en lichaam, veel meer één. Geloof, hoop en liefde, veel meer één. Mens en wereld, bewust en onbewust, ik en gemeenschap - sobornost, gemeenschapszin tegenover westers individualisme. Leggen we daarnaast uitingen van Han Fortmann - iemand die ik persoonlijk gekend heb, iemand die zeer bewogen was en op een prachtige wijze schrijft over wat hem getroffen heeft in de Orthodoxe theologie - dan zien me dat een honderd jaar eerder Dostojewsky hetzelfde zegt. Wat is er met de mens gebeurd? Individualisme, isolatie, verinnerlijking in een negatieve zin, denken dat religie iets is van het innerlijk, een soort diepte, in plaats van dat je je ziel buiten je hebt.

Dostojewsky tracht op allerlei manieren, in gesprekken, in zijn romans, stukjes van deze ontdekking te laten zien. Dat is er mat ons gebeurd? Waarin zitten wij gevangen? Wat is het "ik" voor ons? Hij probeert dit duidelijk te maken. Over isolatie zegt hij: Iedereen wil in zichzelf de volheid van het leven vinden, maar al onze inspanningen bereiken echter niet dat die volheid van het leven komt. Integendeel, als iedereen voor zich ge´soleerde doelen stelt, al zijn het religieuze, eindigt dat in geestelijke zelfmoord. In plaats van ons persoonlijk te bevestigen door onze wortels te houden in het onnoembare, het ene, worden wij in de eenzaamheid geworpen. Dat is wat in onze tijd gebeurt. Iedereen sluit zich in zichzelf op, trekt zich terug in zijn hol, met zijn eigen boeken, zijn eigen fotokopieën, zijn eigen verwanten, en laat anderen liggen. 'Wij verbergen onszelf en alles wat wij bezitten, en zo gebeurt het uiteindelijk dat wij de mensen van ons afsluiten en omgekeerd dat de mensen zich van ons verwijderen. Het einde is geestelijke zelfmoord.

Op andere momenten zal Dostojewsky bijvoorbeeld de monnik Paissy, in "De Gebroeders Karamazov", laten praten over de al-eenheid, waar de wetenschap - hij noemt ook de menswetenschappen, de psychologie van het westen die zich uitbreidde naar Rusland, de westerse theologie, de filosofie - geen raad mee weet. Men analyseert, men praat het stuk, met een blindheid - zegt Paissy - die wij niet voor mogelijk houden. En toch, als wij ons niet meer zo haasten alles los te laten, dan verrijst vanzelf het grote mysterie van het leven opnieuw voor ons.

Steeds weer dezelfde diepe gedachten in andere woorden. Ik zal naar een paar teksten verwijzen die dat op magische wijze tonen, vooral om te laten zien hoe moeilijk het was voor Dostojewsky - en dus voor zijn romanfiguren - zich te bevrijden uit deze beklemming. Bijvoorbeeld in o"De Gebroeders Karamazov'" dat handelt over drie, eigenlijk vier, broers, die allen lijden, ieder op zijn wijze, aan de ziekte waar Dostojewsky zelf aan leed, de ziekte van het "ik". Allen moeten eerst ervaren dat ze moeten falen aan hun eigen "ik" om de werkelijke fonteinen des levens te ontdekken.

Voor allen is dit een lange en pijnlijke weg, naar voor eenieder van hen op een verschillende manier. Iwan, de intellectueel, de denker, die prachtig kan schrijven, ook over kerkelijke aangelegenheden, schrijft eens een opstel over wat in de kerk, de Orthodoxe kerk, bestaat aan wetten, aan gezag, aan structuur en hiërarchie. "Wij zullen daar morgen, in de volgende lezing, die gaat over de vrijheid, nader op ingaan. Hij doet dat op zo'n geniale wijze dat de oude monnik Zosima, die in het boek de ideale figuur speelt, zegt: Dat zijn precies mijn gedachten. Het is Iwan die ook schrijft over het probleem van het lijden en over het probleem van de vrijheid: de legende van de grootinquisiteur. Het is de persoon die alles op een rijtje kan zetten, maar die door alles op een rij te zetten en van het denken uit te gaan, dood is, een gevangene is.

De roman is helaas niet voltooid. Dostojewsky, die vroeg stierf, op de leeftijd van 59 jaar, had de bedoeling dat Iwan aan het einde gelouterd zou worden na een lange weg. Hat is Iwan die dit een keer verwoordt tegenover zijn jongere broer Aljosha, een monnik, een na´eve brave jongen, die - dat was Dostojewsky's bedoeling - later afvallig en athe´st zou worden. En pas nadien gerijpt, echt gebroken, gebroken aan zijn "ik", aan zijn na´eve opvattingen. Iwan zegt: Als ik niet meer in het leven geloof, dat wil zeggen als eindelijk alles waar ik in gevangen zit zijn greep verliest, het mechanisme waarmee ik denk - wij zeggen vaak: ik begrijp het, ik heb er geen greep op -, als de vrouw van wie ik houd mij ontgoochelt, als ik niet meer geloof in de orde der dingen, als ik integendeel tot de overtuiging ben gekomen dat er niets anders bestaat dan een ordeloze, vervloekte en misschien duivelse chaos, als alle verschrikkingen van menselijke ontgoocheling mijn deel zijn geworden, wat gebeurt er dan? Juist dan, zegt Iwan, zal ik willen leven. En als ik eenmaal de beker aan mijn lippen heb gezet, dan laat ik hem niet meer los, voordat ik hem geheel heb uitgedronken. Ik vraag mij dikwijls af: Bestaat er in de wereld een wanhoop sterker dan mijn uitzinnige en onbehoorlijke levensdorst?

Ik kwam tot de conclusie dat zo'n wanhoop er blijkbaar niet is. Ik wil leven en ik leef in weerwil van iedere logica, van alles wat van mijn "ik" uitgaat om het toch terluiks op een rij te zetten. Laat ik dan niet in de orde der dingen geloven, ik ken de liefde, ik houd van de kleverige blaadjes die zich openvouwen in de lente, ik houd van de blauwe lucht, van sommige mensen, zonder dat ik weet waarom. Ik houd van sommige heldendaden, al geloof ik daar allang niet meer in. Ik herinner me ze toch met liefde. Dat heeft niets uit te staan met verstand of logica. Hat is een liefde van het hart, van de zinnen.

En dan vraagt hij: Is daar nog iets van de kracht van God, van de geest van God, werkzaam in die Karamazovse oerkracht die ik voel, die levenskracht? Het wonderlijke is dat Dostojewsky dat zelf ook voelde en beschreef: de vitaliteit van het leven. Het stroomt weer. Vandaar zijn voorkeur voor de uitdrukking: fonteinen van levend water (dit is uit de Apocalyps). Het stroomt weer, met alle hartstocht en vitaliteit. Er komt daar nog iets bij, iets goddelijks. Het is niet alleen hartstocht en drijft daar ook niet op weg. Hij verwacht dat zijn jongere broer zal zeggen: Ja, je moet daar toch mee uitkijken. Je moet je toch wat meer beheersen. Maar nee, wat zegt hij? Dat is het precies, Iwan. En hier is Aljosha de verwoorder, voor Dostojewsky, van de zuiverheid, van de echtheid. Het is precies dit: Als de graankorrel niet sterft, brengt hij geen vrucht voort. Sterf aan jouw "ik". Laat alles los. Laat je gaan. Dan vraagt de ontredderde Iwan nog eens: Bedoel je vˇˇr alles het leven op aarde liefhebben maar dan de zin daarvan en niet meer te zoeken naar de zin? Precies, zegt Aljosha, eerst leven en elke zingeving vanuit jouw bewustzijn loslaten, want dat is jouw "ik". Durf de sprong te maken. Waag de sprong en pas daarna, na de sprong in het leven, zul je de diepste zin van het leven ontdekken. Dat is iets wat mij allang is gaan dagen.

Dostojewsky herhaalt het steeds weer: Wat is onze ziekte? Wat is ons falende "ik"? Het is onze overtuiging, heel diep in ons, dat bewustzijn van leven, de zingeving van het leven, belangrijker zou zijn dan het leven zelf, terwijl het eigenlijk het leven blokkeert en er blijkbaar zeer schokkende dingen moeten gebeuren - noem het genade, doorbraak - voordat wij ontdekken hoe fout we zijn. Telkens weer wijst Dostojewsky naar zijn eigen verleden. Iedere keer laat hij zien hoe mensen werkelijk kunnen doorbreken.

Er is die prachtige passage over een van de broers, Dimitri, die aan zijn ziekte lijdt. Dimitri is de man die zich laat gaan in zijn hartstochten en eigenlijk heel duidelijk aan godsbeleving kent, die een authentiek en diep religieus besef heeft. naar ook hij krijgt van Dostojewsky zijn onoplosbare vraag, waarop hij zal stukbreken. Het is alsof Dostojewsky alle figuren laat zien: Kijk eens hoe mensen in het nauw gedreven worden om te ontdekken, met een schok, wat doe ik als ik zie dat ik niets meer kan doen? Met mijn "ik" kan ik geen enkele kant meer uit, ik kan me enkel overgeven. Wat doe ik als ik totaal in aan hoek gedreven word, en ik met geen enkele redenering een greep op de situatie kan krijgen?

Dit geldt ook voor de hoofdfiguur, Pierre Bezoechov, in "Oorlog en Vrede" van Tolstoj. Tolstoj heeft zelf een religieuze ommekeer gekend. Hij laat de hoofdpersoon van het boek - op het slagveld - dit ook ervaren. Die zegt dan: Tot nu toe kon ik altijd met kunst- en vliegwerk de dingen aan elkaar praten en mijn leven zin geven. Ik kon verklaringen geven vanuit mijn religieuze opvattingen, mijn filosofische begrippen. Maar nu lig ik hier, temidden van ellende, in de duisternis. Ik kom er niet meer uit. En dan gebeurt er wat met hem, zoals het ook voor Tolstoj een werkelijke beleving was geweest, geen wijsheid uit een boek, geen theorie, geen kennis door studie.

Dimitri en lwan zijn elkaars tegenpolen. Dimitri ia geen intellectueel. Hij is verliefd op het meisje waar zijn vader achteraanzit, een slet. Hij ia een drinkebroer, een vechter, een zoeker naar het schone. Maar ook hij vindt geen oplossing. Wat is schoonheid? Wat trekt mij aan in het leven? Wat is het dat mij boeit, zo boeit dat ik onvrij ben? Ook hij praat tegen zijn jongere broer, die ontzettend veel te verwerken krijgt, en zegt: De schoonheid is aan verschrikkelijke en beangstigende zaak. Verschrikkelijk omdat zij onbepaalbaar is; omdat God ons alleen raadsels heeft opgegeven. Hier komen de oevers bij elkaar; hier konen de tegenspraken samen... Er zijn ontzettend veel geheimen. Te veel raadselen wegen op de mens in deze wereld. Probeer te raden wat je kunt om droog uit het water te kruipen.

De schoonheid! Ik kan daarbij niet verdragen dat een mens met een groot hart en een groot verstand met het ideaal van de Madonna begint en met het ideaal van Sodom eindigt. Nog erger is, dat hij met het ideaal van Sodom in zijn hart, het ideaal van de Madonna niet afwijst en er even heet voor loopt, werkelijk, als in zijn jonge, onbedorven jaren. Neen, de mens kan te veel aan, te veel. Ik had hem wat ingeperkt in zijn mogelijkheden. God mag weten wat voor een creatuur hij is. Wat voor de rede een schande is, dat is voor het hart alleen maar schoonheid. Is er in Sodom schoonheid? Neem van mij aan dat voor het overgrote deel van de mensheid de schoonheid in Sodom zit. Wist jij dat geheim of niet? Het erge is dat de schoonheid niet alleen angstaanjagend is, maar ook mysterieus. Er is sprake van een gevecht tussen de duivel en God, en het slagveld is het mensenhart.

Ik ben een Karamazov. Als ik in de afgrond spring, dan ook zonder aarzelen, met het hoofd naar beneden en de voeten omhoog. Ik voel me zelfs voldaan als ik in zo'n vernederende toestand val en vind dat bij mijzelf iets moois. In die uiterste schande begin ik dan opeens een hymne te zingen: Al ben ik ook te licht bevonden, al ben ik ook laag en gemeen, sta mij toch toe de zoom van het gewaad te kussen, waarin mijn God gekleed gaat. Het mag dan al maar zijn dat ik tezelfdertijd een volgeling ben van de duivel, maar ik ben toch ook Uw zoon, Heer, en ik houd van U en ik voel de vreugde zonder welke de wereld niet kan blijven bestaan.

Iwan, Dimitri en Aljosha de monnik, die een keer zegt: misschien geloof ik niet eens in God. Hij zegt verder dat hij ook de Karamazovse oerkracht en hartstocht kent. Dostojewsky laat voortdurend de mensen ontdekken dat zij met verschillende stukken van eenzelfde puzzel zitten en er niet uitkomen. En dat de redding zit in de ontdekking: Ik kom er niet uit. Ik kan niet meer.

Zoals in "De Gebroeders Karamazov", waarin Zosima het een keer samenvat. Er komt iemand bij hem die vertwijfeld is en met zijn leven geen raad meer weet. Hij zegt tegen Zosima: Hoe langer ik leef, hoe meer ik mijn best doe op moreel gebied, in mijn studie. Wat ik als het hoogste ideaal zie, schijnt steeds verder van mij weg te drijven. Des te meer ik mijn best doe, des te slechter het gaat. Hoe kon ik daar uit'.

Dat is het falende "ik". Zosima, de oude monnik, die ook zijn hel gekend heeft, zegt dan: Ik voorspel u dat op het moment waarop u met afschuw zult inzien dat u ondanks al uw pogingen niet alleen niet verder bent gekomen, maar zelfs maar van het ideaal verwijderd lijkt, u juist op dat moment het doel zult bereiken. U zult dan duidelijk de wonderdadige kracht Gods zien, de kracht van Hem die u voortdurend bemint en u voortdurend geleid heeft.

Op het moment dat je inziet dat je er niet meer uitkomt, en dat niet alleen inziet maar existentieel ervaart, dan kon je eruit. Dat is genade. Hier is geen ander woord voor. In mijn derde lezing zal ik aan de hand van citaten van Dostojewsky laten zien hoe hij op andere wijze die genade uitdrukt, met woorden als liefde, barmhartigheid, ontferming. Telkens komt hij hierop terug. Bijvoorbeeld in wat Zosima vertelt over zijn jongere broer en dan het begrip schuld, waarmee wij zijn opgevoed, een heel andere geladenheid geeft. Wat is schuld? Het is, natuurlijk, mijn ik-bevestiging. Het is mijn isolatie, Maar geen enkel woord voldoet. Als je het woord isolatie, of ik-bevestiging, vijf maal noemt, dan is het dood, dan blijft het een woord. Daarom blijft Dostojewsky de woorden variëren, om duidelijk te maken waarin het "ik" gevangen raakt. Hij noemt de ontmoeting tussen Zosima en diens broer Markjel. Markjel was een etter van een jongen. Ook hij was dicht, op slot, totdat er iets in hem gebeurde. Hij zegt dan: Jullie blijde vogeltjes, jullie vogeltjes van God, vergeef mij, want ik heb jullie kwaad gedaan. Wat had hij dan gedaan?. Hij zegt: Gods vreugde, Gods schoonheid was overal om mij heen, de vogels, de bomen, de vlakte, de hemel - ik alleen leefde in schande en heb dat alles onteerd, want al dat schone heb ik niet opgemerkt. Ik zat dicht, op slot; ik was ge´soleerd. Ik had geen aandacht. Ik was niet open en daarom ben ik schuldig tegenover alles en iedereen. Hij voegt daar onmiddellijk aan toe: Maar met dat ik mijn schuld ontdek, weet ik dat ze mij allemaal vergeven, en daarin bestaat het paradijs.

Ik loop nu vooruit op mijn derde lezing, over de alvergeving. Voor Dostojewsky is het nooit dat wij als het ware een knieval moeten maken en God dan, omdat Hij ziet dat wij ons vernederen, ons - als een soort beloning - genade schenkt. Dostojewsky toont dat het om één en hetzelfde gebeuren gaat: beleving van je onmacht en vergeving. Onze taal schiet hiervoor te kort. Vergeving is de ontdekking op het moment van het totale falen, dat je juist daarin totaal aanvaard wordt, zelfs de meest negatieve figuur in "Demonen", Stavrokin, een man van wie hij zegt dat deze zijn wortels verloren heeft. Vernieuwing en opstanding lijken voor hem uitgesloten, omdat hij losgescheurd is van zijn diepste grond e daarom niet gelooft.

Geloven is in het Russisch "vjera". Dat woord kan worden vertaald met geloof, vertrouwen, en ook met intu´tie. Geloven, vertrouwen, intu´tie, innerlijk weten. Geloven wordt vaak opgevat als: ik neem het aan op gezag; ik zie het zelf niet, maar jij zegt het, en ik geloof je. Maar het is meer dan dat. De vorst Stavrokin begrijpt dat enthousiasme - de bron van levend water - hem zou kunnen redden, maar juist dat ontbreekt hem; hij heeft gaan wortels. Maar ook deze persoon, die bewust een meisje van twaalf jaar verleidt en daarna zegt; Jij hebt God in je hartje gedood, je moet zelfmoord plegen (wat ze dan doet), en dan toekijkt en zich daarin verlustigt. Hij vindt zich daarna een monster en totaal verloren, maar krijgt van zijn bisschop (Tichon) te horen: op het moment dat jij jezelf ziet en jezelf kunt vergeven en aanvaarden, en de moed hebt te beseffen dat je aanvaard wordt zoals je bent, dan ben jij gered, ook jij.

Tichon, de oude monnik, gaat nog verder; zelfs als je jezelf niet kunt vergeven, dan zal de oneindige barmhartigheid elke nuance van jouw gevoel in heel je leven zien, alles wat positief in je is geweest. Dit is een gedeelte dat Dostojewsky niet mocht publiceren. In de geijkte versie is de biecht bij Tichon weggeknipt. Hij veranderde de tekst een keer of vijf, maar steeds werd het niet goedgekeurd. In de zogenaamde carnets heb ik de authentieke tekst terug kunnen vinden, die laat zien dat ook voor zo'n totaal ontredderde, verloren figuur, op het moment dat hij zijn verlorenheid inziet en aanvaardt, de redding er is. Ik zou op aan paar andere figuren willen wijzen, die zo'n fase van afbraak moeten doorleven om uiteindelijk door te breken. Iwan en Dimitri hebben we al bezien. Maar Iwan zit met meer problemen, waar hij zijn nek over breekt, problemen die dichter liggen bij het religieuze, bij het Godsbegrip. Dostojewsky toont dat, als je alleen leeft vanuit de logica, vanuit het denken zonder religieuze ervaring, je op den duur stuk loopt. Iwan, de denker, zit met het probleem van het lijden. Hoe kan ik aanvaarden dat er aan God is, als er mateloos geleden wordt? We weten dat Dostojewsky een kaartsysteem had van gevallen van kindermishandeling. Hij beschrijft gevallen van zulke mishandeling. De vraag van het lijden is zijn eigen onmogelijke vraag en niet alleen een vraag van zijn romanfiguren. Hij is ar zelf op stukgebroken.

In de roman laat hij Iwan ermee worstelen, en die zegt: Ik geloof in God, ik ben ervan overtuigd, verstandelijk, dat er een God moet zijn. Ik aanvaard die God ook. Maar wat moet ik met het lijden; daar breek ik mijn nek over. Wat met het lijden van kinderen? Dat volwassenen lijden kan ik begrijpen, die hebben allen ergens wel fouten. Maar onschuldige kinderen? Waarom moeten onschuldige kinderen lijden'; Waar is dat goed voor? Ik kan het mij niet indenken. Voor de eeuwige harmonie! Ik ben bereid te aanvaarden dat er ooit een eeuwige harmonie komt en iedereen de ander zal omhelzen. Ook het jongetje dat door honden werd verslonden, terwijl zijn moeder moest toekijken. In die grote harmonie zal de moeder zien hoe haar kind zijn beul omhelst, Maar ik zal nooit kunnen dulden dat zijn moeder de beul vergeeft. Zij mag de beul vergeven dat zijzelf geleden heeft, maar het leed dat haar kind is aangedaan mag ze nooit vergeven.

Hoe kom ik daaruit? Ik kan die last niet dragen. Als ik kijk met behulp van mijn logica, mijn euclidisch verstand, mijn "ik", de "ik" dia God aanvaardt, met alle theologie, alle bespiegelingen en spitsvondigheden, totaal, tot en met de eeuwige harmonie, maar ik zie dat er geleden wordt, dan kom ik er niet uit. Jan voel ik mij verplicht te zeggen; Dit weegt voor mij te zwaar, dit entreegeld voor het leven kan ik niet opbrengen, al was het maar één gemarteld kind, maar één kindertraan die in Gods voorzienigheid blijkbaar nodig was voor die totale harmonie. Hij zegt nogmaals: Ik geloof in God. Ik geloof zelfs dat het niet anders kan, maar toch geef ik God liever het kaartje van de schepping in dank terug. Als fatsoenlijk mens ben ik ook verplicht dat zo snel mogelijk te doen. Ik kom er niet uit.

Aljosha tracht tegen hem te zeggen; Er is één antwoord - Christus, Maar Aljosha is een na´eve theoloog, die ook de woorden niet vindt, en dan vraagt Iwan: Aljosha, stel dat jij de wereld zou kunnen scheppen als God - en hierin is hij nog steeds met zijn "ik", zijn logica bezig - stel dat jij de wereld zou kunnen scheppen, een wereld die voor miljarden mensen oneindig geluk betekent aan het einde der tijden, maar één klein kind zal gemarteld moeten worden in de loop van de geschiedenis, zou jij dan die wereld laten ontstaan? En dan zegt Aljosha stamelend: Hoe, dat kan ik niet. En dan zegt hij stamelend iets over Christus, maar hij komt er niet uit. Aljosha zal zijn weg moeten gaan en zich te platter lopen. Hij zal breken op zijn zekerheden om tot openheid te komen.

Dit is het wat Dostojewsky steeds weer aanvoert. Het is trouwens een vraagstuk maar men in Rusland in de theologie mee geworsteld heeft: de theodicee - theos dikè - de rechtvaardiging Gods. Hoe komt het dat er lijden is; hoe los ik dat op? Niet alleen Christelijke schrijvers zijn hiermee geconfronteerd. Ik noem Konstatinavski, een Sovjet-auteur, die ook de doorbraak ervaren heeft, die stuk liep op het lijden en zijn ervaringen beschrijft. Hij onthult wat het voor hem betekent. Tegen beter weten in, tegen zijn verstand in voelt hij: Dit is niet het laatste woord. Er is hoop, een mateloze hoop, al kan ik het nooit onder woorden brengen.

Steeds weer probeert Dostojewsky dit te verwoorden, bijvoorbeeld bij monde van Hippolyt en Kirylov. Hippolyt komt voor in de roman "De Idioot". Hij is een student die zijn geloof verloren heeft en in zichzelf opgesloten zit. Er is een prachtige passage waarin Dostojewsky beschrijft dat hij op een zolderkamer woont, die uitziet op een blinde muur. De muur van een fabriek van meneer Y. De muur van Y, de muur van twee maal twee is vier. Hippolyt is opgesloten en kijkt uit op een muur. Dan is er Myshkin, de zuiverste figuur die Dostojewsky getekend heeft, een Christus-figuur. Myshkin komt aan het woord tussen twee perioden van volslagen krankzinnigheid in, perioden waarin zijn geest verduisterd is. Daartussenin is hij - de idioot - een groot kind, die weinig zegt, die luistert. En iedereen ziet aan zijn open ogen, aan zijn spontaniteit, dat hij zuiver is, ook al noemen ze ham een schaap, een idioot. Ze ontdekken: Hij maakt ons anders. Die dit ontdekken zijn de gevoelige mensen, niet de braven maar de ontredderden.

Er is de figuur Natasja Filippovna, die kapot gaat aan haar vernietigingsdrang, haar zelfvernietiging, aan haar trots. Alleen Myshkin weet dat zij, in haar hart, zuiver is, dat zij geleden heeft aan zichzelf en uit het bodemloze lijden zuiver tevoorschijn is gekomen. Het is Myshkin die de jongen Hippolyt ontmoet en hem gelijk geeft, als hij niet kan begrijpen - hij kent ook alleen maar zijn "ik", zijn logica - dat er een God is die hem in het leven zet en naderhand weer vernietigt. Dit is eenzelfde probleem als dat van het kindertraantje. Waarom moet ik, die hunkert naar liefde, die vergaat van eenzaamheid, die zolang ik leef mijn handen uitsteek naar de wereld, alleen zijn, eenzaam, zonder partner, wat mij doet huilen. Dan zegt Myshkin: Ik heb dat ook gekend, die eenzaamheid. Ik heb ook mijn handen uitgestoken, in de psychiatrische kliniek, naar het zonlicht. Vanaf mijn kinderjaren heb ik gehuild en het besef gehad: Ik kan er niet bij. Wat is dat voor een feest om mij heen, en waarom ben ik daarvan uitgesloten? Hij probeert dan Hippolyt te helpen, die zegt: Ik kan het niet aanvaarden. Voor mij is de kracht die het leven schept - dat is het enige wat ik zie - de kracht die de natuurwetten doet ontstaan en de psychologische wetten, en die mij in het leven zet en weer vernietigt; voor mij is die kracht, noem haar God, een tarantula. Ik kan niet leven met een hoogste wezen dat voor mij toch een tarantula is, een spin, en daarom pleeg ik zelfmoord. Het is alleen de liefde van Myshkin die de jongen redt, de Myshkin die ook slechts kan stamelen.

In mijn laatste lezing, morgen, zal ik trachten duidelijk te maken wat die liefde is, wat het is waarmee hij Hippolyt helpt. De passage laat nu zien: Als ik vanuit mijn logica, mijn "ik" een godsbeeld creëer, al doe ik het nog zo spitsvondig, dan is dat een sta-in-de-weg. Vandaar dat Dostojewsky zo dicht staat, in al zijn formuleringen, bij de apophatische of negatieve weg van de orthodoxe mystiek, van Johannes van het Kruis, de weg van het hesychasme, de oude Vaders dia daar voortdurend op wijzen: God is niet dit. Hij is niet dat. Al onze beelden en voorstellingen, onze overtuigingen en vooroordelen moeten stuk vallen. Dat is een lang en pijnlijk proces.

Dostojewsky laat zijn romanfiguren dit telkens weer ontdekken. Niemand ontkomt aan het stukbreken. Het is Dostojewsky zelf die dit ervaren heeft.

Ik zou ten slotte iets willen zeggen over wat Christus voor Dostojewsky is. In de legende van de grootinquisiteur, die morgen aan bod komt, treedt een Christus op die niet komt met zekerheden, in de trant van: Ik heb het gezegd; bewaar die woorden en ge hebt een houvast. Hij is voor ons een persoon, een uitstraling, een beroep, van hart tot hart. voor Dostojewsky is Hij de hoogste openbaring van liefde. Daarin is Dostojewsky authentiek orthodox of christelijk, hoe je het ook noemen wilt. De hoogste openbaring van wat uiteindelijk geldt in het leven: ontferming en liefde. Vandaar dat hij elke keer zegt, ook in "Herinneringen uit het ondergrondse": De conclusie uit mijn verhaal over afbraak en doorbraak zou in feite een verwijzing moeten zijn naar die ontferming en liefde. In plaats daarvan kwam de censuur.

Dostojewsky staat bekend als de auteur van "taboo-lifting themes". Men nam het hem zeer kwalijk dat hij, bijvoorbeeld, durfde te schrijven; Als iedereen in de wereld zou zeggen wat in ham omgaat, niet alleen wat hij niet tegen zijn naaste durft te zeggen, maar ook wat hij niet tegen zichzelf durft toegeven, dan zou de wereld vergiftigd worden. En hij zegt: Eerst dàt aanvaarden.

Han Fortmann, in zijn bundel "Heel de mens", zegt eigenlijk hetzelfde, maar het gaat om een priester die steeds in de clinch ligt met de kerk, met het Vaticaan, en die openheid bepleit, die zichzelf niet typisch katholiek voelt, daar bovenuit wil, zoals Soloviev dia zich orthodox en katholiek noemt en ergens schrijft: Er is niets in ons dat niet verlost kan worden; er is niets in ons, zo verborgen of duister of diep, dat niet verlicht kan worden, Misschien is het moeilijkste wat er is jezelf zien zoals je bent, naar t˛ch te weten: ik word aanvaard precies zoals ik ben. Daar begint de redding, de verlossing. Heb het voor mijn part niet eens meer over psychische gezondheid. Erken dat je leeft met brokstukken, zoals Dostojewsky het leven zag als stukken van een puzzel, waar je geen raad mee weet. Maar aanvaard het leven zoals het is. De eerlijkheid, het zien zal je helpen, ook al is het dat alleen God in die brokstukken nog de lichtglans ziet.

Misschien is dat niet eens de heelheid, maar heiligheid. Mar dat zijn ook twee woorden voor dezelfde zaak. Het woord heil is verwant met heel. Heil betekent heel zijn. Wij vergeten dat vaak. Heel zijn betekent ook alles zien en weten, alles aanvaarden, ook de verlossing.

Van Dostojewsky vind ik het meest bevrijdende - hoewel ook het meest ontmaskerende en schokkende - dat hij schrijft: De genade wint het overal. Alles in ons kan gered worden. Hij ontmaskert om te laten zien dat wij onszelf mogen ontmaskeren, zonder angst, en dat daar de weg naar de verlossing begint. Dat juist dan, op het moment van inzien, de helderheid van de genade begint te schijnen, de zekerheid van de ontferming begint te lichten. Maar dit is het thema van de lezing van morgen.




DE VRIJHEID

Deel 2 van een lezingencyclus gehouden op een studieconferentie georganiseerd door de Vereniging van Orthodoxen 'H. Nikolaas van Myra' op 3, 4 en 5 november 1988.


Waar wij vandaag over praten, namelijk de vrijheid, moet u niet zien - ik heb dat gisteren al proberen te zeggen - als een soort los thema, dat toevallig ook door Dostojewsky behandeld wordt. Het is onlosmakelijk verbonden met wat gisteren aan de orde kwam, met de neiging van de mens alles te vangen, te begrijpen, vast te leggen.

Op allerlei manieren laat Dostojewsky zien dat vrijheid voor hem meer is dan keuzevrijheid, zelfs als alles vastgelegd is. Juist als alles vastgelegd is - hij zegt dat ergens zo - krijg je dat vrijheid herleid gaat worden tot: ik kan dit doen, ik kan dit niet doen, terwijl het gaat om het vrij zijn van die hele beklemming. Het is niet elke keer een moment van vrijheid of onvrijheid, maar het is een hele houding. En hij zegt ook, zelfs op het eind van zijn leven: ik weet dat ik niet duidelijk kan maken waar het eigenlijk om gaat.

Daarom - ik wil dit nog een keer zeggen - het lijkt als je over deze dingen praat: het falende 'ik', vrijheid, religie, of wij weten waar we het over hebben, maar elk woord, en naarmate het het onuitsprekelijke meer nadert (juist voor Dostojewsky), is elk woord eigenlijk even glad en gevaarlijk.

Vandaar dat hij aan het eind van zijn leven nog een keer schrijft: elke keer als ik het onder woorden breng, hoe geraffineerd ook, hoe voorzichtig ook, kom ik achteraf in opstand tegen wat ik geschreven heb. Ik kom er niet uit, en dan denk ik: ik zwijg weer, ik doe het niet meer, maar in dat zwijgen, in dat uitvegen van de plaatjes die ik maak, de woorden, ontdek ik toch die innerlijke drang om het opnieuw te verwoorden. En dan moet ik opnieuw proberen de dingen voor mij even op een rij te zetten .

Dat is, zegt hij, mijn menselijke conditie. Ik formuleer, ik vorm, en ik veeg het weg. En dat geldt, zegt hij, met name met betrekking tot God en de onsterfelijkheid - tussen haakjes, zegt hij, dat is voor mij één en dezelfde onuitsprekelijke werkelijkheid - en alle begrippen waarbij ik aarzelend dat probeer uit te drukken, ook de vrijheid.

Daar moeten wij het dan maar mee doen, met die heel vage omschrijving. Een diepere definitie is niet mogelijk. We moeten ons maar verlaten op wat hij in voorbeelden, in situaties in zijn romans, daarover voorzichtig uitdrukt.

Allereerst - om enigszins een verband te leggen met de lezing van gisteren - laat hij ons zien dat vrijheid - in het Russisch 'volja', wat moeilijk te vertalen is - ook betekent die stromen van levend water, letterlijk het stromen. Het betekent ook 'wil', maar het is even riskant om het woord 'wil' te gebruiken, omdat wij dan denken aan de wil van een 'ik', aan wilskracht. Maar hij bedoelt juist dat onderliggende in mij, wat ik niet meer ben, wat leeft in mij.

Dat is zo essentieel, dat hij laat zien dat mensen in zijn romans - dat zijn natuurlijk romanfiguren, maar het is waar wij allemaal aan lijden, hijzelf ook - mensen zijn die voelen: mijn leven, het leven, is totaal bepaald door natuurwetten, psychologische wetten, logica, wetmatigheden, waarbij zelfs God vanuit dat logische denken herleid wordt tot een soort hogere macht, die in plaats van bevrijdend of verlossend te zijn, beklemmend wordt, dat de figuren die daar het ergste aan lijden hun enige redding zien in het bevestigen van hun vrijheid, al is er dan geen andere weg dan de dood om te laten zien: ik ben vrij. Die vrijheid is zo fundamenteel, dat ik daarvoor kies.

Dat zijn natuurlijk grenssituaties, dat zijn romanfiguren, maar in de tijd van Dostojewsky was het aantal zelfmoorden zeer groot. En Dostojewsky is daar zeer nadrukkelijk mee bezig, ook met het 'waarom'. Hij zegt ergens, over een heel concreet geval als één van de voorbeelden - het is de dochter van Hertsen (hij vermeldt dat niet in zijn boek maar in zijn brieven), de dochter van Hertsen die zelfmoord pleegt - wat moet dat kind zuiver geweest zijn om met heel haar leven aan den lijve te ervaren: ik kan dit niet meer aan. Een leven zo opgesloten is de hel. Als ik dan niets anders kan doen dan uit die hel springen door de dood, dan - zegt Dostojewsky - getuigt dat eigenlijk van haar zuivere ziel.

Zelfmoord was juist in die tijd in Rusland bijna epidemisch onder de Russische intelligentsia, die be´nvloed was door westerse ideeën. En eigenlijk, intu´tief, zonder het te kunnen verwoorden, het gevoel had, het besef: ik kan zo niet meer leven.

Tot twee keer toe voert Dostojewsky zo'n figuur op, die dan kiest voor de vrijheid, al is dat een vrijheid ten dode, de vrijheid van: ik weiger mij te zien als een vliegje in het grote spinnenweb van die eeuwige tarantula. Want dat is, als ik alleen maar mijn logica heb, mijn denken, mijn begrijpen - dat is wat God voor mij wordt. We hebben daar gisteren iets over gezegd.

Ik zal die tekst nu letterlijk lezen - van Hippolyt, die man die uiteindelijk geen zelfmoord pleegt. Hij probeert het, hij schiet zich voor de kop: het pistool gaat niet af. Hij doet dat tijdens een tuinfeest; de mensen zien het niet eens. Hij leest zijn afscheidsbrief voor. Daaruit citeer ik een stukje: ... en hij lacht het weg. Men drinkt en men praat, en men heeft niet eens een besef van de verschrikkelijke vertwijfeling van die jongen. Alleen dat idiote, makke schaap, die Misken, begrijpt het en redt de jongen, zodat deze uiteindelijk op natuurlijke wijze, sterft aan zijn tuberculose, buiten op het verblijf van Misken, die hem de openheid geeft van de natuur, als eerste besef dat er een openheid is van de natuur, als eerste besef dat er een openheid van binnen moet zijn.

Juist dit punt, die openheid: het besef dat openheid - het buiten in de natuur zijn, wat Dostojewsky in Siberië ontdekte - ook zo essentieel is voor openheid binnen - is prachtig beschreven in een boek van de Nijmeegse psycholoog Buytendijk, namelijk 'De keuze van Hippolyte' (1950). Een van de prachtigste en indringendste werken over, met name, de vrijheid en de onmacht te leven als alles stukgepraat wordt, tot en met het religieuze.

Welnu, in die afscheidsrede, die zeer dramatisch is, zegt hij: de religie, het eeuwige leven en God - ik kan aanvaarden dat die bestaan; precies als Iwan in het 'Kindertraantje' gisteren. En ik houd dat ook voor waar, met mijn verstand. Het mag dan zo zijn dat mijn bewustzijn is ontbrand door de wil van die hogere macht, van God. Ik laat het ook zo zijn dat die hogere macht het bewustzijn plotseling voorschrijft zichzelf te vernietigen, omdat dat in Zijn wetten past, in Zijn voorzienigheid. Omdat het ergens voor nodig is, al kan ik er niet bij. Oké, ik wil zelfs aannemen, logisch nogmaals, dat het onmogelijk is de wereld anders in te richten dan door deze vernietiging. Ik ben zelfs bereid toe te geven dat ik er met mijn verstand niet bij kan. Maar opnieuw rijst de eeuwige vraag, net als in het 'Kindertraantje': waarom is het nodig dat ik dat in deemoed aanvaard? Kan ik mij niet gewoon laten verslinden, zonder Hem te moeten verheerlijken Die mij verslindt? Mij komt het daarom voor dat ik die oneindige kracht, die God, zie als een brute, met stomheid geslagen en duistere macht. En dat ik die soms waarneem in een absurde gedaante, of iemand mij bij de hand meevoert, naar een donkere ruimte brengt, waar ik een enorme tarantula zie, en die mij verzekert dat dit het duistere, brute, almachtige en eeuwige wezen is.

Daar kom ik niet uit. Ik kan niet leven met een God die voor mij de gestalte aanneemt van een tarantula. Daarom zal ik, als dat mijn enige vrijheid is, mijzelf het leven liever benemen dan ik passief en machteloos laten verslinden. Ik uit mijn transcendentie, al is die ten dode opgeschreven.

Een tweede keer, misschien nog dramatischer, is dat in 'Demonen', waar Kyrilov overtuigd is geraakt dat er niets anders is dan natuurwetten, psychologische wetten, mechanismen. Zo sterk dat zelfs het schoonste wezen dat geleefd heeft - Christus - door die natuurwetten vernietigd werd.

Dostojewsky was verschrikkelijk getroffen door het schilderij van Holbein, dat u misschien kent: De kruisafneming van Christus. Hij is ooit bewusteloos gevallen - zijn vrouw beschrijft dat - en in de roman 'De Idioot' laat hij dat schilderij optreden. Myshkin zegt ook: hoe kun je dat zien zonder je geloof te verliezen, zonder diep geschokt te zijn.

Voor Dostojewsky was dat een onmogelijke vraag. Als de leerlingen van deze volmaakte mens dit lijk hebben gezien, hoe kon er in hen nog een sprankje geloof overblijven? Logischerwijs zou alles gedood moeten zijn. En toch leefde, ondanks het zien van dat lijk, van die gemartelde en terechtgestelde, het geloof. Hoe kan dat?

Hippolyt en Kyrilov kunnen het niet. En ook Kyrilov zegt: als ik dan niets anders ken dan een leven, een bestaan dat totaal gevangen is in wetmatigheden, hoe geraffineerd psychologisch, theologisch, filosofisch ook, dan zal ik mijn transcendentie tonen. Ik ben dat verplicht. Ik zal mijn verschrikkelijke vrijheid tonen, al ben ik de enige. En waarom? Om duidelijk te maken dat, als er niet een God is, totaal anders dan die wetmatige God, die grote duistere macht, het leven een hel is. Ik kan er trouwens niet bij, zegt hij, dat een athe´st, die overtuigd is dat die andere realiteit er niet is, in leven kan blijven. Maar zelfs al ben ik de enige, het zou mijn vrijheid zijn te laten zien: ik aanvaard niet dat het leven alleen maar een demonische macht is, en God, als het ware, de toespitsing daarvan in de vorm van een tarantula.

Tot twee keer toe laat Dostojewsky in zijn romanfiguren iemand zien die aan den lijve de onmogelijkheid ervaart te leven, omdat het een verstikking is, zelfs als met moet kiezen voor een vrijwillige dood. Je zou kunnen zeggen: bij Dostojewsky is er een zeer groot begrip, ook in het ontroerende verhaal 'De Zachtmoedige', voor mensen die de wereld zo zien, verminkt door ons denken, zodat ze onleefbaar wordt. En die met hun dood uitdrukken dat ze juist die gevoeligheid en die honger naar het zuivere, en de intu´tie dat het anders moet zijn, nog hadden.

Ook het boek 'De herinneringen uit het ondergrondse' is eigenlijk één pleidooi voor die bevrijding van alles wat drukt, van twee maal twee is vier, de logica. Wat is het, zegt hij, dat de mens altijd zijn eigen scheppingen tenslotte toch weer wegveegt. Zoals Dostojewsky aan het einde zegt: Mijn eigen boeken veeg ik door, want het is niet wat ik eigenlijk zou willen zeggen. Wat is het dat de mens zijn eigen scheppingen vernietigt, omdat hij de horizon op het oneindige, het onuitsprekelijke open wil houden. Liever de explosie dan de verstarring. Liever de chaos dan de dood. Dat is de kerngedachte van 'De herinneringen uit het ondergrondse'.

Het is dat wat hij vooral uitwerkt in de herinnering, in de legende van de grootinquisiteur, die u waarschijnlijk gelezen hebt in de tekst die u gekregen hebt, die mijn studenten ook moeten lezen. Het is een wonderlijk verhaal. Ik zal eerst in het kort de inhoud vertellen, maar dan ook de actualiteit aanhalen. Een verhaal dat, in 'De gebroeders Karamazov', Iwan, de geniale denker, maar die ook sterft aan zijn denken, die daardoor verziekt is, aan dat monnikje, zijn broertje Aljosha, vertelt. Een verhaal dat hij verzonnen heeft.

Christus komt opnieuw op aarde in de tijd van de inquisitie, van de grootinquisiteur, de aartsbisschop van Sevilla, in de tijd van de inquisitie, van de terechtstellingen. Een symbool van de Rooms-Katholieke Kerk als macht, waarvoor Dostojewsky een zeer grote huiver had. Hij laat die Christus optreden, zo maar als een weinigzeggende figuur, letterlijk weinig zeggend, gewoon maar ook weinig uitsprekend, alleen geladen met een eindeloos mededogen. Totdat Hij tenslotte gevangen genomen wordt door de grootinquisiteur, ter dood veroordeeld, en in de nacht vˇˇr de terechtstelling een bezoek krijgt van die oude grijsaard, de grootinquisiteur, die Hem verwijt: Jij heb de mensen te zwaar belast, omdat Jij gokte op de vrije keuze van het eigen hart. Jij hebt niet begrepen dat de mensen vaste beginselen willen. Daarover dadelijk.

Ik zal stukjes van die legende voorlezen, omdat het waarschijnlijk één van de meest indringende en raadselachtige passages is, ook wat betreft het einde, in het hele werk van Dostojewsky. En omdat niemand, denk ik, het kan lezen zonder daarmee in zijn eigen leven ook geconfronteerd te worden, want het is niet alleen de katholieke kerk, al is het dat voor Dostojewsky voor een heel groot gedeelte wel.

Hij zegt ergens ook: het is natuurlijk niet álles in de kerk, in de katholieke kerk, maar de meest negatieve macht. Het is ook, zegt hij, de hele samenhang - en dat maakt een link naar onze vorige lezing - tussen de wetenschappelijke ontwikkelingen. Wat in het westen gebeurde, de greep op het leven, is onlosmakelijk met elkaar verbonden, een socialisme zonder God, een communisme dat ontaardt in dictatuur - wat Dostojewsky al voorzag in 'Demonen', de verschrikkingen daarvan, met een bijna profetische blik. De ontwikkelingen in de katholieke kerk, met haar machtsstructuren, en de ontwikkeling in het westen van de wetenschap en filosofie is één groot gebeuren, wat hij ook wel noemt: de antichrist. En de ontwikkeling van het leven tot de dood toe, de verstarring op alle gebieden.

Als wij het wat actueler maken - of het nu de grootinquisiteur is, die alles in een boek wil vastleggen, met vaste regels, gedragsregels en dogmatische zekerheden, een boek waar alles in staat, een autoriteit die alles weet - of dat het een marxistische autoriteit is, waar onze neiging zich op een andere manier kristalliseert, en waar men ook alles vangt in een web. Ook marxisten, overtuigde partij-ideologische marxisten, vangen alles in zekerheden, of Freudianen, of om het even welk stelsel dat denkt een antwoord te hebben op alle vragen. De neiging om dat te doen is er altijd, ook bij bewegingen die juist ontstaan als reactie.

Je ziet het bij het christendom, of bij Freud, het ontdekken van het onbewuste, als een onderstroom onder het bewuste; ook dat wordt ideologie. Of de antroposofie, of om misschien nog iets concreters te noemen, een boek dat ik iedereen kan aanraden te lezen, ook omdat het zo dun is en zo direct geschreven, van een Nijmeegs psychiater: Maas. Ik weet niet of iemand hem kent: Maas. En dat boekje heet: 'Als een man in een brandend huis'. Hij heeft ook andere werkjes geschreven: 'Bomen spreken' en 'Stenen hebben pijn'. Een psychiater die durft te zeggen dat hij vaak zeer onzeker is, dat hij verkrampt tegenover zijn patiënten zit, maar die juist dat ontdekt waar Dostojewsky over praat.

Die in dat boekje met die prachtige titel 'Als een man in een brandend huis' eigenlijk zegt, ons leven is: ik zit opgesloten als een man in een brandend huis en ik wil er uit. Ik weet: mijn redding is er uitgaan en ik kan er niet uit. Hoe kom ik daar nog uit? Hij zegt ook: als ik iets ontdekt heb in mijn praktijd als therapeut, dan is het de verschrikkelijke kracht die uitgaat van macht, op alle gebieden. Macht van mensen over mensen, macht van een mens over zichzelf. Ik zou mijzelf dit aandoen, ik moet anders zijn, ik moet mij breken, terwijl wij gisteren gezien hebben: wij kunnen niets.

Wat ga je doen als je ontdekt dat je niets meer kunt? Dat is eigenlijk zijn conclusie. De verschrikkelijke werkingen van macht in een gezin, in een religie, in een politieke groepering, tussen een therapeut en een patiënt, in het onderwijs. Overal ontdekt hij die tarantula van macht, die grootinquisiteur.

Dat is niet op één plek vast te prikken. Dat zou makkelijk zijn. Het is voor ons allemaal permanent, actueel. Want macht kan zeer subtiel zijn. Macht kan werken met woorden in plaats van met fysiek geweld, of met psychologisch overwicht. Maas geeft daar frappante voorbeelden van: hoe je iemand in een hoek kunt manoeuvreren, en hoe gauw wij geneigd zijn dat op allerlei manieren te doen. En hoe belangrijk het voor hem is, steeds weer, het ontmaskeren van macht. In Dostojewsky's woorden: het ontmaskeren van de grootinquisiteur: een beeld, een symbool van iets wat ons allemaal aangaat.

Terug naar dat verhaal. Het wonderlijke is - het is wat mij het meest heeft getroffen - dat Christus daar niet komt met zekerheden, niet met een duidelijke openbaring. Want er is het gevaar dat elk uitgesproken woord - ook van de zuiverste mens - verstart, dat wij denken iets hard te kunnen maken, vastleggen. Wij willen, zo zegt Dostojewsky het ook, een coördinatenstelstel aanleggen, een soort lijn waarop je kunt bepalen wat wél mag, wat nÝet mag; waarop alles duidelijk is: vastprikken.

Er is een heel wonderlijk essay dat ik gelezen heb (ik weet niet meer van wie) over een woord in het Evangelie, dat in verband gebracht wordt met de grootinquisiteur. Daar staat namelijk, u kent het: Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt. Maar de tekst in het Grieks luidt: en dat betekent: Oordeelt niet opdat gij daardoor niet uzelf oordeelt. Zodra je gaat oordelen, betekent dat dat jij maatstaven gaat aanleggen; je gaat een spinnenweb aanleggen en onmiddellijk zit je daar zelf als eerste in gevangen.

Wat Christus bij Dostojewsky doet is dát juist niet. Het grote verwijt van de grootinquisiteur is dan ook: U hebt de mensen overschat, want ze kunnen die vrijheid niet aan. Het wezen van de mens is één hunkering naar vastheid, op elk gebied, in uiterlijke vorm, in morele normen, in dogma's, met een autoriteit die het voor hen zegt. Het geweten op de pastorie, zoals wij het vroeger wel eens formuleerden. Je ging aan de pastoor vragen of je mocht breien of haken op zondag. (Het is misschien een gek voorbeeld).

Deze Christus (in de woorden van de grootinquisiteur) láát de mensen in hun vrijheid. En daarom, zegt hij, laat ik Jou terechtstellen. Want Jij hebt de mensen een te zwaar juk op de schouders gelegd: ze kunnen die vrijheid niet aan. Kijk om Je heen. Hoeveel mensen hebben zich tot Jouw niveau kunnen opwerken? Daarom kies ik voor al die mensen die dat niet kunnen, die zekerheden willen. Ik geef ze die zekerheden en ik neem daar de verantwoording voor.

Het is een zeer dramatisch verhaal. Ook wat betreft het einde. (Ik zal het in gedeelten voorlezen). Allereerst staat er: Christus gaat rond in Zijn eindeloze barmhartigheid. (We zullen daar vanmiddag ook nog over praten). Gisteren bij de avonddienst trof het mij dat er zo nadrukkelijk, al is het misschien in een archa´sche taal, elke keer weer verwezen wordt naar onze onmacht, of men dat nu zondigheid of vervloektheid noemt; onze onmacht tegenover die eindeloze ontferming.

Dat is het precies. Dat is precies wat Dostojewsky, die dit ervaart, in eigen authentieke bewoordingen tracht weer te geven. Dit. En die woorden komen daardoor, denk ik, opnieuw tot leven voor ons. Het zijn - ook door de geschiedenis - zeer geladen woorden. Onze onmacht en donkerte, en de genade als bevrijding. En ook hier: eindeloze barmhartigheid. Hij loop zwijgend en met een stille glimlach, voor eindeloos mededogen, tussen de mensen.

En dan komt Hij bij de grootinquisiteur, die Hem gevangen neemt en tegen Hem zegt: Waarom bent U ons komen hinderen? Wij bezitten immers de sleutels van het Koninkrijk. Wat wij hebben is macht en waarheid. (Ik héb de waarheid: in een boek of in mijn kop). Hoe hebt u dan nog het recht ons ook maar één geheim te vertellen, een openbaring van die wereld waar U uit voortkomt. (U merkt dat hij ook zeer dualistisch denkt. Openbaring is voor hem: naar buiten komen uit een andere werkelijkheid, die ook logische bevatbaar zou zijn, en iets mededelen).

En dan praat hij over de drie verzoekingen. Christus werd verzocht in de woestijn. Dat waren veel reëlere verzoekingen, zegt Dostojewsky, dan wij ze vaak interpreteren. Fortmann heeft hierover een prachtig essay geschreven in zijn boek 'Als ziende de Onzienlijke', omdat hij een katholiek priester kende, die weigerde te geloven dat de verzoeking een werkelijke verzoeking was, in de zin van angst en ontreddering in die zuiverste mens, in die Godmens. Misschien kunnen we enigszins denken aan de film die op het ogenblik in discussie is, van Kazantzakis, die als mens, als schrijver, eigenlijk zeer bewogen was en zeer religieus, en ook maar stamelend probeert te zeggen wat het voor hem betekent.

Welnu, Dostojewsky laat Christus de verzoekingen afwijzen, maar het zijn verzoekingen die juist dát inhouden waar Dostojewsky de grootste angst voor heeft: toch weer houvast te krijgen, toch weer een zekerheid, een autoriteit. Een spektakelstukje: brood uit stenen maken; je van de tempel naar beneden gooien. En dan zegt hij (de grootinquisiteur): Had het gedaan! Want door dat voorbeeld had Jij de mensen geboeid. (We zeggen ook: ik ben in de ban van iets; ik ben geboeid. Maar dat betekent: ik ben onvrij.) Maar Jij weigerde de mensen te boeien. Is het mogelijk iets te zeggen dat meer waard is dan wat de Satan U in die drie vragen te verstaan gaf? Maak stenen tot brood. Werp U van de tinnen van de tempel. En maak een geweldig, gigantisch rijk met een centrale macht. U verwierp dat.

Dat wat in de boeken de verzoekingen heet. En toch werd daarin heel de geschiedenis van de mensheid samengevat, door middel van drie beelden. Alle onoplosbare tegenstellingen van de menselijke natuur liggen hierin opgesloten. Dostojewsky laat ook zien dat Christus het wil houden bij de onoplosbare tegenspraken en die niet logisch wil ontwarren. Het is een vraag waar je met je verstand op te pletter moet lopen. 'Destijds was dat niet duidelijk. De toekomst was nog in nevelen gehuld. Maar na vijftien eeuwen zien zij dat in die drie vragen precies alles is voorspeld en voorzien'. En dan gaat hij er nader op in: 'U wilde met lege handen de wereld ingaan. Met lege handen'.

Het is misschien niet de plaats om daar nu op te wijzen, maar wat mij getroffen heeft is het levensverhaal van één van de prachtigste oosterse wijzen, mystici - Dogen, in Japan, een boeddhist uit een heel andere cultuur, die precies op het moment van zijn innerlijke ommekeer, van zijn metanoia, ook zegt als men hem vraagt: wat heeft u ons te leren? Antwoord: Ik kom met lege handen.

Ik kom met lege handen, zegt deze Christus. - En U gaf de mensen de belofte van vrijheid, die ze in hun onnozelheid en aangeboren bandeloosheid niet aankunnen. Waarvoor ze angst en vrees hebben.

U kent misschien het boek van Erich Fromm 'Angst voor vrijheid (Flight for Freedom)' Het laat onmiddellijk zien hoe actueel het voor ons is. Erich Fromm, leerling van Freud, met een zeer grote openheid, ook voor het religieuze, laat zien hoe groot onze angst voor vrijheid is, en wijst ons op de actualiteit van de legende van de grootinquisiteur. 'Want nooit' zegt hij (de grootinquisiteur), nooit en te nimmer is er iets geweest wat mensen en maatschappij minder verdragen konden dan vrijheid.

Nogmaals, dat is niet de vrijheid van doen wat je wilt; het is het vrij zijn van een systeem, dat Fromm noemt: de baarmoeder, waar je in kunt blijven, de politieke partij, de groepering, de ideologie.

Ziet U die stenen in die geblakerde woestijn? Maak er broden van, en heel de mensheid zal als een dankbare, gedweeë kudde achter U aandrommen. Maar U wilde de mens niet van zijn vrijheid beroven. Want een spektakelstukje maakt je afhankelijk. U verwierp dat voorstel. Maar weet U wel dat uit naam van dat brood de geest van de aarde tegen U zal opstaan? Geef ze eerst te eten. En praat dan over een deugdzaam leven.

Dat was overigens waar Dostojewsky in elke discussie in zijn tijd op terugkwam. Hoe belangrijk het ook is brood te geven, jullie - dat zegt hij tegen de mensen die dit leven willen hervormen, zoals in het boek van Koestler: 'De commissaris en de yogi', de commissaris die de wereld van buiten wil veranderen en de navelstreng met de diepste grond verloren heeft, en de yogi die de navelstreng wel bewaart maar na´ef is - Dostojewsky zegt: allereerst zullen wij die band met onze diepste grond moeten herontdekken. En dat verwijt hij aan alle activiteiten die sociaal zijn. Jullie zien alleen maar brood, ook al ziet hij in dat dat ook moet gebeuren.

De mensen zullen uit zichzelf hun vrijheid aan onze voeten leggen en tot ons zeggen: maak ons maar tot jullie slaven, als jullie ons eerst maar te eten geven. Ze zullen inzien dat vrijheid en voldoende brood onverenigbaar zijn. Want nooit zullen zij met elkaar kunnen delen. Ze zullen tot de overtuiging komen dat ze nooit vrij kunnen zijn, vanwege zwakte, verdorvenheid, nietswaardigheid en opstandigheid. Ze kunnen de vrijheid niet aan.

Niets is er - en ik denk dat dat een zeer diepe intu´tie van Dostojewsky is: hij heeft zelf ontdekt hoe lang het duurde en wat er met hem moest gebeuren, voordat het losscheurde in hem, voordat hij door de cocon van zijn zekerheden kon heenbreken, voordat hij zich kon overgeven, het kon loslaten, die neiging om toch weer alles op een rijtje te zetten - er is niets wat de mens zo kwelt als de onophoudelijke zorg om, zodra hij vrij is, een idool te zoeken, waarvoor hij kan neerknielen.

Het kan niet anders of U moet dat diepste geheim van de mens gekend hebben. Maar U hebt het enige, absolute middel dat men U voorstelde van de hand gewezen. Het enige middel waarmee U allen zonder uitzondering kon dwingen voor U te knielen: het wonder, het spektakel. Als de mens geen vast doel, geen vastheid, geen zekerheid voor ogen heeft, zal hij zich eerder van het leven beroven, dan er in toe te stemmen op aarde te blijven. Zo is het.

Maar wat hebben wij gezien? In plaats van de vrijheid van de mens af te nemen, hebt U hem een veel grotere vrijheid gegeven. U hebt geen vaste beginselen gegeven om zijn geweten eens en voor altijd tot rust te brengen. In plaats daarvan bracht U hem allerlei vreemde, raadselachtige en vage ideeën. En het woord idee, 'duma' in het Russisch, is ook anders geladen dan bij ons: een idee in je kop.

Allemaal dingen die de kracht van de mensen te boven gaan. Maar hebt U er dan werkelijk niet aan gedacht dat de mens zelfs Uw enige, lichtende voorbeeld zal loochenen en bestrijden, als hij gebukt moet gaan onder zo'n vreselijke vrijheid?

En dan vat hij dat nog één keer samen. Er zijn drie krachten op aarde die de mensen kunnen binden: het wonder - maar niet in de zin waar wij het vanmiddag over zullen hebben, in de zin van verwondering, het wonder waarbij alles mysterieus is, prachtig is, als je ogen opengaan, omdat het elke keer nieuw is - maar het wonder als spektakelstuk. (U ziet hoe moeilijk de vertaling is.) '????', is spektakelstuk, het wonder, het geheimzinnige, het mysterie in de zin van: er is een andere wereld waar jullie niets van weten en ik wel, verborgen en autoriteit.

U verwierp dat. Toen de verschrikkelijke geest op de tinnen van de tempel tot U zei: Als U wilt weten of U de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden. Toen weigerde U dat. U wees het af. Uw gedrag was fier en indrukwekkend als van een god. Maar het zwakke, opstandige ras van mensen is geen geslacht van goden. Hebt U werkelijk één ogenblik kunnen geloven dat de mensen een dergelijke verleiding konden weerstaan? Is de menselijke natuur, zonder houvast, zo geschapen dat ze in staat is het wonder, het spektakel af te wijzen?

En in de verschrikkelijke momenten van het leven, momenten waarbij het gaat om de diepste, kwellendste en meest fundamentele problemen, alleen te zijn, om op zulke momenten zich te kunnen houden aan de vrije beslissing van het eigen hart. Dat is de kern.

U wist niet dat de mens, zodra hij dit alles zou afwijzen, ook God zou afwijzen, want de mens zoekt niet zozeer God als het wonder, het houvast. (Wat God is voor Dostojewsky zullen we vanmiddag proberen voorzichtig aan te geven). U hebt dat niet gedaan, omdat U de mensen niet wilde onderwerpen. U wilde dat ze uit eigen beweging in die vrijheid zouden geloven en niet op gezag van een spektakelstuk. U wilde spontane liefde en niet de slaafse aanbidding van een vazal tegenover de machthebben, de tovenaar die hem eens en voor altijd de schrik heeft aangejaagd met zijn hocus-pocus.

Maar U hebt de mensen te hoog aangeslagen. Ze blijven per slot van rekening slaven, al kunnen ze het nooit nalaten te rebelleren. Kijk om U heen en oordeel. Na vijftien eeuwen, wat ziet U? Wie hebt U tot Uw hoogte opgeheven? De mens is zwakker en nietiger dan U wilde aannemen. U bent te kort geschoten in medelijden door die mens zo hoog te achten en hem zijn vrijheid te laten. Bent U dan werkelijk alleen maar voor de uitverkorenen op de wereld gekomen?

Het is niet alleen een aanklacht. Het is ook een vraag die onoplosbaar is. Als je constateert - en dat is natuurlijk de grootheid van de grootinquisiteur - de onmacht van de mens om die vrijheid aan te kunnen, en als je de mislukking ziet en de ellende, als je ziet dat je geen enkele kant meer uit kunt, wat dan?

Ook dat verhaal van de grootinquisiteur spitst zich toe, voor Dostojewsky, voor de lezer, op die onmogelijke vraag. Het is een poging ons wakker te maken. Niet alleen een verhaaltje om, bijvoorbeeld, autoriteit in welke richting ook, bijvoorbeeld de katholieke kerk, aan te klagen. Dat is het ook, maar het is meer dan dat. Het is opnieuw die angel in onze geest die ons duidelijk maakt: maak je er niet te simpel van af. Wat ga je doen als je ontdekt dat het blijkbaar mislukt? Als dat werkelijk zo is, dan is dat een mysterie dat we niet begrijpen. Maar dan heb ik ook het recht mijn mysterie te prediken, uit liefde voor de mensen. En ze zullen zich maar aan ons moeten overgeven.

Eigenlijk zegt hij: wij hebben - hij bedoelt nogmaals de katholiek kerk als hij hier spreekt - Uw werk verbeterd en het gegrondvest op die zekerheden. Tot en met de kwellendste vragen van hun ziel zullen ze aan ons voorleggen. En wij zullen de beslissing nemen en alles zullen ze ons aandragen. En ze zullen met vreugde ons besluit aanvaarden, want ze worden verlost van de zware last en de verschrikkelijke kwelling van de vrije, persoonlijke antwoorden van het eigen hart.

Tenslotte zegt hij dan: als U de derde raad van de geest had opgevolgd, dan had U alle verlangens bevredigd. Ze verlangen om neer te knielen voor een hogere autoriteit, want de behoefte aan een universele eenheid, een eendrachtige mierenhoop, is de derde en laatste kwelling van het mensdom.

Het einde van het verhaal is even raadselachtig. Het geeft ons geen antwoord. Het is niet iets als een soort boodschap waarvan men kan zeggen: nou weet ik het. Christus blijft zwijgen. En dan zegt de grootinquisiteur nogmaals: Ik laat Je ter dood veroordelen. Maar ik weet, aan het einde der tijden zul Je terugkomen. Jij zult winnen, in macht en majesteit. Maar dan zal ik opstaan en wijzen op die ontelbare menigte mensen die de vrijheid niet aankon. En ik zal zeggen: oké, veroordeel mij maar. Hier sta ik, de grootinquisiteur, die uit liefde, uit begrip voor de mensen hun de vrijheid uit handen nam en hun beginselen gaf, de zekerheden waarmee het leven draagbaar werd, al heb ik het leven daarmee gedood. En het einde is, als Christus blijft zwijgen, dat Hij tenslotte de grootinquisiteur een kus geeft. Wat is dat?

Wat is dat? Is dat aanvaarding? Is dat verwerping? Is dat afscheid? Als het alleen zwijgen was geweest, dan was het hoogmoed geweest. Want dan - ik heb dat ooit op de televisie gezien, in een uitvoering van Henk van Ulsen, waarbij dat laatste niet aan bod komt, en dan zie je een zwijgende Christus, die ook weer een autoriteit lijkt te worden. Oké, je hebt gelijk, grootinquisiteur, maar uiteindelijk zal Ik je hebben. Maar dit, bij Dostojewsky, is een Christus die hem uiteindelijk niet heeft. Want Hij kust hem. Hij kust hem met liefde. Hij kust hem op dezelfde manier waarop later Zosima de ontredderde Dimitri, die jaagt op het vriendinnetje van zijn vader, en die mensen in elkaar ramt, en één en al agressiviteit is en verscheurd wordt door zijn lust naar Sodoma, dan zal die oude monnik op zijn knieën vallen.

Die kus is ook zoiets. Wat moeten wij ermee aan dat blijkbaar in het leven onmacht tegenover vrijheid is, een vernieling door autoriteiten? Wordt zelfs dat aanvaard uiteindelijk? Ook hier is het laatste woord een oneindig mededogen, waar niet Christus, maar wij moeten zwijgen. En elke keer maar weer moeten beseffen, als een doorn in ons wezen, wat is dit?

Ik denk - na een lezing - dat het voor mij elke keer weer zeer moeilijk is daar nog onderuit te komen. En dat het leven blijft; zo'n verhaal is, denk ik, al veel. Dat is opnieuw het roeren in de ziel en de wond openhouden. Wat Dostojewsky wil, dat zal altijd op onze weg komen, de autoriteit, overal. Ik zie dat bij mensen die een goeroe volgen, bij mensen die, bijvoorbeeld, in de Zen-wereld terecht komen. Waar dan ook, op universiteiten, in stromingen, de oproep van deze Christus het eigen hart te volgen.

En om het toch enigszins toe te spitsen, omdat Dostojewsky daar wel degelijk op blijft hameren, dat het ook voor hem de katholiek kerk is - ik zal dat stukje voorlezen, dan zal ik dadelijk nog iets vertellen over een visie op deze Christus van een katholiek cultuurfilosoof, die ik overigens zeer hoog acht, namelijk Guardini.

Maar eerst Dostojewsky. 'De Idioot', de prins die zo weinig praatte en die eigenlijk alleen maar door zijn houding aangeeft wat voor hem het leven is, en die mensen wakker maakt - die spreekt één keer fel. Hij doet dat onhandig, zoals hij is. Hij stoot een heel grote vaas om, een kostbare vaas, maar desalniettemin (ik zal dat voorlezen). Er zijn overigens meer passages in dat werk waar Dostojewsky voorzichtig laat zeggen dat (ik lees het voor uit 'Demonen') het rooms-katholicisme geen zuiver christendom meer is, maar een Christus belijdt die geen weerstand geboden heeft aan de verzoekingen in de woestijn. En in 'De Idioot' misschien nog duidelijker.

Nogmaals, het is niet alleen daar. Laten wij nooit een zondebok zoeken in één richting. Het is overal, dat gevaar. Maar met name hier zeer sterk en gevaarlijk gekristalliseerd. Myshkin dus: het rooms-katholicisme is een onchristelijk geloof. (Ik moet dat voorlezen; het zijn woorden van Dostojewsky).

Dit in de eerste plaats: ik lees dit ook aan mijn studenten aan de Universiteit van Leuven voor; en ten tweede, dit katholicisme is nog erger dan het athe´sme, vind ik. Het athe´sme predikt alleen maar dat er niets is, maar het katholicisme gaat verder. Het geeft een vertekend beeld van de Christusfiguur, die het zelf heeft vervalst en geschonden. Iets wat tegengesteld is aan Christus.

Echt waar, ik verzeker het u. Het is mijn persoonlijke overtuiging, die ik al heel lang toegedaan ben en die mij veel tweestrijd heeft bezorgd. Hier wordt een geloof aangehangen dat de Kerk zich zonder universele macht op aarde niet zou kunnen handhaven, en roept uit: non possemus. Dat gaat over de encycliek waarbij de Kerk bevestigt niet zonder de staatsmacht van het Vaticaan te kunnen. Volgens mij is het rooms-katholicisme zelfs geen geloof, maar een voortzetting van het westromeinse keizerrijk, waarin alles aan het idee van macht onderworpen is geraakt.

We beginnen met het geloof. Er was, zo'n drie dagen geleden, in de krant een berichtje over een rede van Sacharov over Gorbatsjov. Ik weet niet of u het gelezen heeft. Dat was precies over macht, waar wij ook aan voorbij kijken. Gorbatsjov is zeer in. Maar wat zegt Sacharov?

Deze man, die bij ons zo liberaal overkomt, bekleed met zoveel macht, steeds meer geconcentreerd in één persoon. Dat is demonie, dat wordt levensgevaarlijk. Dat is een valkuil. Dat is een tijdbom. Als daar, in die structuur, in plaats van de persoon die al zoveel macht heeft, een ander komt, is dat de ondergang. Ja, dit is ook een aanwijzing hoe dat altijd op de loer ligt. Ik denk zeker dat ook binnen de katholieke kerk er heel veel verzet is, goddank, tegen wat nog altijd in Rome gebeurt, zeker nu. Ik denk dat het zeer te duchten is wat daar gebeurt. Maar nogmaals, het is overal te duchten. En daar spreekt Dostojewsky eerlijkheidshalve ook over. In 'De Gebroeders Karamazov', eigenlijk naar aanleiding van de groot-inquisiteur, als dezelfde Iwan, die dat prachtige verhaal schrijft, maar ook in zijn denken gevangen blijft - het is door hem niet beleefd van binnen uit - een opstel schrijft over wat kerk en macht zou moeten zijn. Ik zal dat voorlezen, want hij spreekt dan over de Orthodoxe Kerk. En Zosima, die monnik, en Paissy, de priestermonnik, bevestigen dat in de roman.

Wij weten dat Dostojewsky, die vaak in Optina Pustin kwam, een Russisch klooster dat praktisch met de grond gelijk gemaakt is, maar sinds kort weer hersteld is - er zijn daar, dacht ik, een twintigtal monniken sinds een jaar - dat Dostojewsky daar altijd kwam bij een monnik vanuit de richting van het hesychasme, dat is de richting van het meditatieve, stille gebed, wat nˇg bestaat. (U zult vanmiddag - ik zal daar bij zijn - ook een lezing horen over het Jezusgebed). En bij één van deze mensen is Dostojewsky vaak gaan praten en deze drukt eigenlijk uit wat Paissy en Zosima hierover zeggen.

Ik zal voorlezen wat Iwan daarover schrijft, en wat zij dan bevestigen. Dat is het enige stuk, denk ik, waar Dostojewsky zo precies praat over wat voor hem kerk is. En naar aanleiding van dit stuk heeft hij zeer vele bewogen brieven gekregen.

Mensen die dat als bevrijding voelden, die voor het eerst ontdekten: hier is het gezegd; al heeft hij ook kritiek gekregen uit bepaalde kerkelijke kringen. Hij verkondigt dat de kerk niet buiten de wereld als een apart systeem, met eigen wetten, eigen moraal, eigen gezagscriteria bestaat, maar in en door de wereld als een desem, om die van binnenuit te transformeren. Alleen van binnenuit te bezielen. Met het oog daarop - staat er letterlijk - moet de kerk derhalve niet proberen - want nogmaals, het zal overals gebeuren; aan mijn eigen universiteit, in het onderwijs, is deze verwording tot macht en instituut even bedreigend - een afgebakende hoek in de wereld te worden, zoals andere maatschappelijke organisaties.

Integendeel, elk aards rijk zal op den duur geheel en al vanzelf in de kerk moeten oplossen, erin opgaan, alleen kerk moeten worden. En daarbij dienen alle doelstellingen die niet met de kerkelijke idealen stroken, te worden afgezworen. In plaats van dat de kerk macht wordt en haar macht uitbreidt, zal de kerk haar macht moeten oplossen en het andere moeten toelaten. En wat er buiten de kerk juist aan macht is zal alle macht moeten verliezen om in die ruimte qua macht te vervloeien; waar het leven nog is, dat levende water, om ook levend te worden.

Daarom zijn, bijvoorbeeld, de beginselen van het kerkelijk recht, die opgesteld zijn naar analogie van het wereldlijk recht, maar evenzeer al het andere wat in de kerk aan autoriteit, gezagsstructuur en systeem is aan te wijzen, hoogstens een tijdelijk, en in onze zondige en onvolmaakte tijd, onvermijdelijk, dat ook, onvermijdelijk een compromis. Maar ook niet meer.

Zodra men deze beginselen, wat Rome doet, zal trachten te verabsoluteren door te verklaren dat ze onwankelbaar, elementair en eeuwig zijn, ex cathedra, vanuit het gezag, gaat men in tegen het wezen van de Kerk en haar eeuwiglevende doelstellingen. Zowel de starets Zosima als Paissy onderstrepen dat. En met name Zosima zegt dan: Inderdaad, het is zo dat het Rijk Gods geen juridische categorieën mag hanteren waar het menselijke schuld betreft. En helemaal niet mag werken met strafmaatregelen. Dat is Zosima.

Slechts het schuldbewustzijn, het besef van eigen onmacht - de lezing van gisteren - het persoonlijke geweten dient de schuldige mens terug te roepen naar de genade en het licht. En dan besluit hij met een prachtige tekst, waar ik de lezing ook mee zal besluiten. Waar hij eigenlijk zegt: Als ik ook dit wat ik nu zeg logisch bekijk, sta ik weer voor een muur. Hoe kan dat? Precies als de grootinquisiteur. Als ik zie dat de mensen niet die vrijheid aankunnen en dat dit toch altijd weer groeit, ook in de kerk, wat doe ik dan? Waar sta ik dan?

Het is waar, zegt hij, dat de christelijke gemeenschap nog altijd geen werkelijkheid is en nog altijd slechts steunt op de zeven rechtvaardigen: een oud joods verhaal, ook in Rusland zeer bekend. Zolang echter zij, die enkelingen, niet versagen zal de verwachting levend blijven dat ooit het onmogelijke mogelijk wordt, dat ooit de maatschappij van een bijna heidense samenleving vanuit macht getransformeerd zal worden in één over de hele wereld zegevierende kerk, zonder macht. Zo zij het. Amen.

Al is het ook op het einde der tijden, wan dit alleen is voorbestemd om werkelijkheid te worden. Soms lijkt Dostojewsky zeer pessimistisch, als hij onze onmacht laat zien, zoals gisteren ook de vesperdienst de onmacht benadrukte tegenover de vergeving. En toch wordt dit werkelijkheid. Dit alleen. En men moet zich niet in de war laten brengen door zijn verstand, wat men denkt over tijden en perioden, en hoe lang nog. Want het mysterie van de tijd en de periode is in de schoot van Gods wijsheid verborgen, in Zijn liefde.

En wat volgens menselijke berekeningen en overtuiging en zekerheid nog heel veraf en onmogelijk lijkt, staat volgens Gods liefde misschien al voor de deur en bevindt zich welhaast aan de vooravond van Zijn verschijning in de wereld. Dat dit laatste waar moge zijn. Hij zegt dan nog één keer in het oud-kerkslavisch: . . . . . . - laat dit zijn. En dan zwijgt ook Zosima. Uiteindelijk moeten wij ook dit allemaal met zwijgen aanvaarden, denk ik, en op ons in laten werken.



De lezing gaf aanleiding tot een vraag van één der deelnemers aan de conferentie over Guardini. In zijn lezing verwees Prof. Lathouwers naar de visie op Christus van Guardini, maar hij verzuimde in zijn betoog daarop terug te komen.

Guardini heeft, onder andere, een boek geschreven over Dostojewsky: "Religiöse Gestalten in Dostojewskys Werke". Zeer positief. Guardini is iemand op wie Fortmann zich beroept, wanneer hij schrijft over Serafim van Sarov en de religieuze ervaring, en over het feit dat bij ons de zintuigen verstopt zijn. Wij zullen daar vanmiddag verder over praten. Guardini was de eerste die dit aan de orde durfde te stellen, namelijk dat religie in wezen ervaring is en dat onze zintuigen schoonheid kunnen waarnemen. En toch breekt Guardini zijn nek over de Christus van Dostojewsky en zegt letterlijk: De Christus van Dostojewsky is niet de Christus van de Katholieke Kerk. Hij zegt dit vooral omdat Dostojewsky naar zijn mening een Christus tentoonstelt die geheel aan het verstand voorbij gaat. Guardini verdedigt dat macht ook een realiteit is die ten goede kan zijn. En dat de autoriteit van de Kerk onder meer wordt uitgedrukt door de Kurios-gestalte. Christus, niet alleen als de figuur die eindeloos mededogen uitstraalt, maar ook de figuur van macht, de rechter. Hij wijst dan op een passage uit 'Demonen', waar Marja Libjatnika (we zullen die tekst vanmiddag lezen) een moment heeft van ongelofelijke ontroering en vermorzeling des harten. Hij zegt dan: Dit is voor mij, als katholiek theoloog, heidendom. Dit kan niet. En ook de houding van een Christus die daar zwijgend staat strookt niet met de katholieke leer. Bij Dostojewsky, in zijn dagboeken, komen we tegen dat hij zegt: Deze Marja Kibjatnika gebruik ik om uit te drukken wat voor mij - laat ik het aarzelend zeggen - religieuze ervaring is, met tranen en wat dan ook erbij. We zien in het boek van Guardini over Dostojewsky inderdaad zeer veel begrip, maar wat betreft Christus en de uiterste deemoed onbegrip.




HET RELIGIEUZE EN ALLES WAT DAARMEE SAMENHANGT

Deel 3 van de lezingencyclus "De betekenis van Dostojewsky voor onze Tijd", gehouden op een studieconferentie georganiseerd door de Vereniging van Orthodoxen 'H. Nikolaas van Myra' op 3, 4 en 5 november 1988.

De titel van deze lezing is nogal lang. Het onderwerp is eigenlijk het religieuze en alles wat daarmee samenhangt. En het allermoeilijkste punt is: het praten over iets waarvan Dostojewsky steeds weer zegt dat het onuitsprekelijk is, neskazalno. Je kunt er met praten niet bij. Hij zegt dan ook: elke keer probeer ik het opnieuw, zo er omheen, zoals Hans Andreus, de schrijver van "Een klein boek om het licht heen". Ik kom er toch niet bij, maar misschien kan ik het met woorden verduidelijken. Dus nog meer dan wanneer het gaat om vrijheid en ontreddering, of het falen van het ik, is hier voorzichtigheid geboden. We zullen het toch proberen.

Allereerst, één regel van Dostojewsky als een inleiding, één regel uit "De Idioot", als Mushkin gevraagd wordt wat de wereld uiteindelijk zal redden. Het eigenlijke gesprek wordt niet vermeld, maar Hippolyt, de jongen, over wie ik vanmorgen sprak, herinnert het zich. Hij komt daar een keer bij Mushkin mee aan: Ik heb gehoord dat u dat gezegd hebt. Is het waar, prins, dat u ooit gezegd hebt dat alleen de schoonheid de wereld zal redden?

Het is een tekst dies in de Sovjet-literatuur heel vaak aangehaald wordt. We hebben gisteren gezien dat het woord "schoonheid" ook dubbelzinnig is. Ook schoonheid, net als kunst, is gevaarlijk - in een kunst een kick oproepen; in een kunst zelfbevrediging zoeken. De Russen hebben zich altijd gekeerd tegen het "l'art pour l'art" en hebben dat godslasterlijk gevonden. Maar hier bedoelt Dostojewsky, al gebruikt hij het woord schoonheid, iets anders. En daar zou ik mee willen beginnen.

De schoonheid, de wereld die je ziet als je niet meer vastzit in je logisch denken, als je het leven niet meer door die ruit ven jouw "ik" ziet. Maar als je open bent en ontroering, verwondering ervaart, waardoor het niet meer een natuurwetmatigheid heeft. Das ist schon da gewesen; ik heb dat alles al een keer gezien. Maar dat alles, ook de dingen waarmee je vertrouwd bent, elke keer weer wonderlijk lijken, alsof je ze met nieuwe ogen ziet, alsof ze voor het eerst voor je oprijzen.

Elk moment totaal nieuw. We meten uit de literatuur, ook de mystieke literatuur, hoe dicht verwondering in feite staat bij de openheid waar Fortmann over praat, waar Dostojewsky over praat, waar Guardini over praat; dat religieuze ervaring ook iets is van de zintuigen, die bij ons verstopt zijn, zodat het bij ons alleen maar cerebraal geworden is.

Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat Dostojewsky twee wegen van heil ziet, twee manieren waarop iemand in aanraking kan komen met de grond van het bestaan. In de eerste twee lezingen ging het vooral over de zogenaamde harde weg: de onmogelijkheid om zelf iets te doen, het stuklopen in je eigen leven, in je moraal, in je denken, in je proberen, in je idealisme, in alles. Het stuklopen op problemen die je niet kunt oplossen; het "Kindertraantje", de vrijheid. En feitelijk al het andere, de grote problemen; het bestaan van God bijvoorbeeld (Hippolyt en Kyrilou), de theodicee, de rechtvaardiging van het lijden.

En de andere weg is - daar zullen we nu over praten - de zachte weg van d verwondering. Het lijkt eigenlijk of het om twee dingen gaat, maar feitelijk zijn ze hetzelfde. Als je je verwondert, dan ben je los van de cocon, van de bril waardoor jij alles met jouw bewustzijn wilt zien en op een rijtje wilt zetten. In het ene geval - de harde weg - zijn het harde confrontaties, pijnlijke breuken, een paar keer, of permanent radicaal in je leven. In het andere geval is het de stille, zachte ontroering, maar ook dit is het loskomen uit de cocon.

In beide gevallen is het uiteindelijk sterven aan het verleden, sterven aan alles waarvan je denkt: ik kan het vasthouden. En daar plaatst Dostojewsky zijn Zosima en diens visie en raadgevingen aan de mensen. Nogmaals, het zijn geen duidelijk gescheiden wegen; ze lopen in elkaar over. Voor het gemak maken we een onderscheid, maar je kunt in jezelf nagaan: als je helemaal bij iets bent, hier en nu, één en al verwondering en los van dat instrument waarmee je het op een rijtje wilt zetten, waarmee je het in een coördinatenstelsel wilt opbergen, in een kastje. Als je daar los van bent, wijken en da problemen die zo pijnlijk zijn, althans de pijnlijkheid ervan, en het gevoel:ik heb het al eens gezien. Het wordt nieuw.

De kunst, de schoonheid zal de wereld redden. In een ander boek, "Demonen", zegt iemand: Uiteindelijk is het Shakespeare, je kunt ook zeggen Mozart of aan soortgelijk iemand, en niet Newton die de wereld redt. Shakespeare en Rafaël zullen de wereld redden, en niet het andere, waaruit de houding, da wereld van wetmatigheid ia gegroeid. Dit laatste is natuurlijk niet dè wereld, maar onze manier van zien. Het ligt in ons. Wij zien dingen allereerst als wetmatig, omdat wij blind zijn, omdat wij zekerheden willen. Daardoor groeit het dicht en zien we geen wonder meer. Het is onze houding. Het kan helpen de wereld leefbaar te maken op praktische vlakken, maar het is wat anders dan te zeggen dat de wereld inderdaad objectief, duidelijk, hard, waarneembaar en begrijpelijk voor je ligt, en dat dàt de echte wereld is.

Het is van manier van zien. Dat is wat Dostojewsky, als hij over religie praat, eigenlijk duidelijk wil maken, op allerlei manieren. Open kunnen zijn, schoonheid kunnen zien, aandacht kunnen hebben, kunnen horen. Vaak springt hij in een tekst van het ene woord op het andere over.

Ik zal direct een gedeelte voorlezen, maar ik zou eerst graag iets willen aanhalen uit een film van Tarkovski (misschien heeft u die gezien), namelijk "Het Offer". Daar komt een heel wonderlijke opmerking in voor. Iemand zegt: Als iedereen op de wereld elke dag dezelfde simpele, banale handeling met alle aandacht en liefde zou verrichten, wees er zeker van dat de wereld gered zou worden.

Het lijkt Dostojewsky, maar die zegt alleen: Het is de schoonheid waardoor de wereld gered wordt. Tarkovski zegt: Het is de totale aandacht; het is de dingen zien zoals ze zijn. We zullen later zien wat dat voor Dostojewsky is. Dat is het mysterie van de dingen zien en uiteindelijk voorbijzien aan de hardheid die wij ze hebben gegeven door onze schijn-zekerheden.

Ik zou dadelijk iets willen zeggen over onsterfelijkheid, omdat het voorgaande daar ook mee samenhangt, al lijkt het er ver van af te staan. Er is een opmerking van Dostojewsky (van Zosima) die hier op het eerste gezicht niets mee te maken lijkt te hebben. Het betreft aan wanhopige en totaal vertwijfelde vrouw, vertwijfeld omdat ze geen enkel houvast heeft tegenover de dood. Wat is er na da dood? Is er geen onsterfelijkheid. Wat is onsterfelijkheid? Wat is mijn ziel? Die vrouw, die op die vragen stuk loopt en daar angsten door heeft, komt bij de oude monnik Zosima en vraagt hem om antwoord. En dan zegt hij iets dat heel ver af lijkt te staan van: de schoonheid zal de wereld redden. Hij zegt: De onsterfelijkheid bewijzen is absoluut onmogelijk. Een verstandelijk houvast geven is onzin. Wat moet je dan doen? En dan geeft hij een antwoord waarvan je denkt: wat schiet ik daarmee op. - Heb alleen de dingen en de mensen onophoudelijk lief. Alleen dàt. Heb aandacht voor het wonder van de dingen om je heen, in de ogen van iemand die je aankijkt, in de gewone dingen. En door die aandacht of door die liefde, en door het erbij zijn, zul je absolute zekerheid krijgen over het onsterfelijke leven en de onsterfelijke ziel.

Meer zegt hij niet, en dan herhaalt hij nog een keer: Argumenteren en bewijzen is mij onmogelijk. Dit lijkt totaal iets anders dan de schoonheid, en toch verwijst hij in deze opmerkingen naar hetzelfde; een andere manier van in het leven staan, los van de bril van onze zekerheden, waardoor wij het allemaal op een rijtje kunnen zetten. Hoe doe je dat?

Dostojewsky breekt iedere keer als hij daar iets over moet zeggen ook zijn nek daarover: duidelijk maken wat nu religie is. Er is een moment dat Mushkin in "De Idioot" een gesprek heeft met Rakozi, de man die het schilderij van de kruisafneming boven zijn bed heeft hangen. Een schilderij dat hem suggereert dat er geen religieuze dimensie ia, want daar ligt het lijk van een terechtgestelde, waar totaal geen lichtglans meer vanaf komt. Daar is geen schoonheid meer. Daar is vernietiging. En Mushkin voelt: Hij houdt dat schilderij daar om geheel eerlijk tegenover zichzelf te zijn. Het is zijn prikkel. Het is de plek op de muur waar hij te pletter wil lopen om erdoor te komen, waar hij wil afbreken.

Dan komt, naar aanleiding van het schilderij, het gesprek over het religieuze. Mushkin, de belangrijkste figuur, zegt eigenlijk: Ik kan je niet vertellen wat religie is. Ik stamel maar. Eén ding frappeert mij altijd weer, zegt hij, als je praat over religie, dan blijkt achteraf dat je het over totaal iets anders hebt dan de woorden die je gebruikt. En dat treft mij nu ook weer. Zoals het mij in al mijn ontmoetingen met mensen, en in alle boeken over religie die ik heb gelezen, het mij altijd weer is opgevallen dat in gesprekken, of in boeken, ook al gebruiken ui j dezelfde woorden en dezelfde religieuze begrippen, het eigenlijk over iets geheel anders gaat dan ik voel en wil duidelijk maken, al zou je op het eerste gezicht zeggen dat het wel over hetzelfde gaat.

En dan vertelt hij Rakozi, als die blijft aandringen, twee - anecdotische - gebeurtenissen, om duidelijk te maken wat religie is. Ten eerste zegt hij: Ik heb eens een moeder zien kijken naar de eerste glimlach van haar kind. Die glimlach van de moeder en het opengaan, dat is voor mij religie. Dat is God voer ons. Hij zegt "moeder" om daarmee aan te geven de warmte, de onvoorwaardelijke aanvaarding van dat kind.

Het tweede voorbeeld, misschien wat schokkend, is het verhaal van iemand die - niet nadat hij een moord heeft begaan om een horloge te stelen, maar vóórdat hij die moord begaat - op zijn knieën valt en huilend God om vergiffenis vraagt, en dan toch de toch de moord pleegt. Daarmee maakt Mushkin duidelijk: zelfs als jouw hart je aanklaagt, als je weet dat jouw onmacht totaal is, je toch kunt weten dat je door God aanvaard bent. Het is een vreemd voorbeeld.

Ten slotte zegt hij: Ik kom er niet uit. Zelfs met die voorbeelden niet. Luister eens, Rakozi, je hebt mij de vraag gesteld: wat is religie? Hier is mijn antwoord. De kern van het religieuze besef kun je bij geen redenatie onderbrengen, bij geen enkels theorie. Het gaat altijd weer om iets anders. We hebban hier te maken met iets waar alle denksystemen, alle atheïsme, altijd en eeuwig op zullen uitglijden. Omdat dia systemen hst altijd en eeuwig over iets anders hebben, ondanks dezelfde woorden.

Opnieuw over de schoonheid. Shakespeare en Rafaël - geloof me - staan hoger dan de vrijmaking van boeren, dan het socialisme, dan onze hele jonge generatie, dan scheikunde, hoger dan bijna het hele mensdom. Zonder wetenschap kan het leven voortbestaan, zonder brood ook, maar zonder de schoonheid, de ontroering en de verwondering kan het leven niet. Dan is er niets meer. Zelfs de wetenschap zou niet standhouden zonder de schoonheid. Pascal en Einstein zijn er prachtige voorbeelden van. Einstein heeft ooit eens gezegd: Het grootste wonder is voor mij dat er natuurwetten zijn en dat er regelmaat is. Ook dat zie ik als een wonder.

Is het waar, prins, vraagt Hippolyt, dat u ooit gezegd hebt dat de schoonheid de wereld zal redden? Hoe probeert Dostojewsky dat duidelijk te maken? Ik zal een fragment voorlezen uit een kort verhaal "De droom van een belachelijk mens". Dat gaat over mensen die een direct en als het ware tastbaar contact hebben met het Al. Het speelt op een andere planeet. Dit is een symbool om een wijze van omgaan met het leven aan te reiken, uit te beelden, zoals dat zou kunnen vanuit die onbevangenheid die hij concretiseert met verwondering en schoonheid, met ontroering, met aandacht en liefde.

Die mensen dan hadden hun weten gevormd door andere inzichten. Ze waren kalm en hadden geen wensen. Ze streefden er niet naar het leven te doorgronden, zoals wij dat doen, omdat hun leven vervuld was. Hun weten was dieper en hoger dan onze wetenschap, want onze wetenschap zoekt te verklaren wat het leven is. Wij willen het leven leren kennen om anderen te leren hoe ze moeten leven... Maar zij wisten ook zonder wetenschap hoe ze moesten leven. En dat begreep ik toen, al kon ik het niet begrijpen. Ze wezen mij op de sterren en vertelden over iets dat ik niet begrijpen kon. Maar ik ben overtuigd dat op de één of andere manier zij contact met de sterren en het leven onderhielden. Niet alleen in gedachten, maar langs sen of andere levende weg. Ze kenden de dood, maar hun grijsaards stierven stil alsof zij insliepen, omgeven door mensen die afscheid van hen namen en die zij zegenden met een glimlach op de lippen. Droefheid en tranen heb ik daarbij niet gezien. Er was alleen liefde, dis als het ware tot sen extase steeg, maar dan een kalme contemplatieve extase, geen emotionele. (De situatie is natuurlijk geïdealiseerd.) Men zou kunnen denken dat ze met hun afgestorvenen zelfs na de dood in contact bleven door die leverde band met het mysterie. Ze begrepen mij bijna niet als ik hen vroeg naar het eeuwige leven en bewijzen wilde, maar blijkbaar waren ze onvoorwaardelijk van dat leven overtuigd, zozeer dat het voor hen geen vraag was. En dan een passaga waar Dostojewsky op aangevallen is door traditionele richtingen in de kerk. Zij (da bewoners van die andere planeet) hadden geen tempels, maar stonden eigenlijk in een tastbare, levende en ononderbroken verbinding met het geheel van de kosmos. Ze hadden gaan geloofsdogmen, maar wel het vaste weten dat, wanneer hun aardse vreugden de grenzen van hun aardse natuur hadden bereikt, een nog dieper contact met het geheel van de kosmos zou ontstaan.

Het bovenstaande is een wijze van uitbeelden, door Dostojewsky, van schoonheid die de wereld redt. In dit verband verwijs ik ook naar - we hebben het gisteren al genoemd - Zosima, die zijn broer Markjel laat zeggen: Ik ben schuldig tegenover alles en waarom, omdat de schoonheid en het wonder om mij heen waren en ik heb het niet opgemerkt. Daarin bestaat mijn schuld. Maar de vogels en de sterren, ze zullen het mij allemaal vergeven.

Weer dezelfde gedachte. Ik heb het niet gezien. "Als ziende de onzienlijke" van Fortmann, of van Serafim van Sarov, of wat zovele Russische theologen hebben proberen duidelijk te maken, wat betreft de mogelijkheid van religieuze ervaring. Ik zal hier een paar voorbeelden noemen. Je wordt soms ineens geconfronteerd met een tekst, bijvoorbeeld de tekst waar Guardini over struikelde en die dan zegt: Dit is voor mij geen Christendom meer; dit is voor mij heidendom. Dit is demonie. Maar Guardini weet niet dat Dostojewsky de figuur Marja Libjatnika in "Demonen" aanhaalt als de zuiverste figuur. Zij is een wonderlijke vrouw, enigszins vreemd in da ogen van anderen, zoiets als Suzanne in het liedje van Leonard Cohen (Suzanne takes me down to the river), een meisje dat ook het wonder in de dingen ziet.

Zij (Marja Libjatnika) vertelt dat ze ooit hoorde van een non wie de Moeder Gods was. Wat is de Moeder Gods, denk je? Ze is de grote Moeder van alles. De hoop van het menselijk geslacht. De Moeder Gods is dus ook de grote Moeder Aarde. De schoonheid daarvan te kennen en de ontroering die dit verwekt is een grote vreugde voor de mens. Zij vertelt dan hoe zij dit zelf een keer heeft ervaren. Sinds die tijd, zegt ze, ben ik gaan bidden. Ik boog mij diep ter aarde; ik kuste de grond en huilde. In zulke tranen is geen slechtheid. Ook al heb je geenszins verdriet, de tranen vloeien, van louter vreugde. Ze komen vanzelf.

Soms ging ik naar de andere kant van het meer. Aan de ene kant staat het klooster, aan de andere kant is de berg. Ik bestijg de berg. Ik keer mij met het gezicht naar het oosten. Ik huil, ik ween. Ik weet niet hoe lang ik geschreid heb. En dan vergeet ik alles, dan weet ik niets meer. Daarna sta ik op. Ik keer mij om en de zon gaat onder. Groots en prachtig, mooi en treurig. Een schaduw valt ver over het meer als een pijl, tot aan het eiland in het midden van het meer. Het eiland wordt door de schaduw in tweeën gesneden. Op dat moment gaat de zon onder. En dan word ik weer heel bedroefd.

In "Russian religious mind" van Fjodortov wordt gezegd (ook in vele andere werken vindt men dergelijke uitlatingen) dat in het Russische volksgeloof de verering van de Moeder Gods en de ontroering om de aarde vaak nauw met elkaar verbonden zijn. In het besef van het volk is het kosmische altijd sterk aanwezig gebleven, het kosmische in de Moeder Gods. De Moeder Gods ia niet zozeer de historische Maria, niet een abstractie, maar een persoon op levende wijze verbonden is met de aarde.

Zosima is degene die daar het duidelijkst over praat en daarvoor de woorden feitelijk niet weet. Hij zegt: Ik kan er nooit de juiste woorden voor vinden. (Hij zegt dat in zijn grote afscheidsrede.) Daarom gebruikt hij soms het woord "aandacht" en soms "liefde" en soms "zien". Vaak alleen maar "zien". Het is dat wat hij bedoelt als de vrouw, die vertwijfeld is door angst voor de dood en de onsterfelijkheid, bij hem komt. Als jij de schoonheid leert zien, als jij leert liefhebben, en wat is liefhebben anders dan erbij blijven zonder in te grijpen, erbij blijven, aandacht, of misschien nog eerder het Duitse "Andacht". Het woord "Andacht" wordt ook in de betekenis van "lof" gebruikt. "Andacht" is de religieuze betekenis van een diepere betrokkenheid, van gaat alles open. En altijd weer laat Zosima zien dat hat uiteindelijk dit is.

Ik kan er niet de juiste 'woorden voor vinden. Maar hoevele prachtige dingen tref je niet aan? Dingen die zelfs de meest verworpene nog prachtig vindt. Kijk, kijk naar een kind, kijk naar de zonsondergang in Gods wereld. Kijk naar een grassprietje, hoe het groeit. Kijk in ogen die u aanzien en liefhebben. Veel blijft op aarde verborgen voor ons. In plaats daarvan, zegt Zosima, heeft God diep in ons een mysterieus besef gelegd van een levende band - de stromen van levend water - tussen ons en een andere wereld. Verheven en hoger dan onze wereld. Men zou kunnen zeggen dat onze gedachten en gevoelens niet hier wortelen, maar in die andere wereld. Het is daarom dat de wijsgeren van alle tijden zeggen dat het wezen van de dingen op aarde niet te vatten is.

God nam zaden uit andere werelden en strooide die op aarde, en verzorgde Zijn tuin. En alles kwam op en was levend en levensvatbaar, alleen door die totale verbondenheid met dia andere mysterievolle werkelijkheid.

In de roman "De Jongeling" zegt Dostojewsky - hij blijft het herhalen - dat elk mens leeft, en dat het leven eigenlijk is je geheim vervullen, het geheim van jou en niet dat van een ander. Dat is ook wat Ruusbroec zegt als hij het heeft over "Van den blinkenden steen". Dat is een zinspeling op de Apocalyps, waarin staat dat God aan ieder een blinkende steen geeft met een naam die alleen hijzelf kent. Daarin ligt eigenlijk uitgedrukt dat in de diepste innerlijke ommekeer, waardoor je weer bij je diepste grond bent, dat hetgeen gebeurt zo persoonlijk en onherhaalbaar is dat het voor elk mens weer anders is. Voor een ieder anders. Hij zegt ook: Ieder mens is een persoonlijk en onherhaalbaar geheim.

Dit is ook een breuk met het wetmatige. Wij zijn zo gauw geneigd - Dostojewsky noemt dat ook ergens - te denken, als mij praten over mysterie: ha, dit is wat Jan ziet, en dat zal Piet, als hij door de grens heenbreekt, ook zien. Het mysterie is echter: wat jij ziet, ziet niemand anders, dat is enkel tussen God en jou. Voor een ieder is het weer anders. En Dostojewsky gaat verder: Alles is zo onherhaalbaar. Alles is een geheim. In alles is dit geheim van God, in elke boom, in elk grassprietje, in een vogeltje dat zingt, in het flonkeren van de sterrenhemel. Alles is een groot en eender geheim.

Maar het allergrootste mysterie is wat de mensenziel in gene wereld wacht. Dat dit een geheim is geeft de wereld nog meer waarde. Het is ontzagwekkend en wonderbaarlijk. Dat ontzagwekkende maakt het hart blij. Alles is in U, o God. Ook ik ben in U, neem mij dus op.

Vandaar dat Dostojewsky kan zeggen dat voor hem onsterfelijkheid en God hetzelfde is. Twee woorden voor die onnoembare realiteit. Twee aspecten daarvan. Maar hij niet verder op in wil gaan. Je krijgt soms het idee dat Dostojewsky, als hij over God praat, zeer voorzichtig is om daar een "etiket" op te plakken. En eigenlijk alleen maar zegt, in de woorden van Zosima: Volg het enige wat je in je leven kunt volgen. Laat al het andere los. Laat die neiging gaan om dingen te begrijpen en op een rijtje te zetten, Laat die vervloekte neiging los om vanuit jouw "ik" te handelen, wat het ook is; moraal of theologie of wat anders. En kijk en zie en hoor. Heb aandacht, of anders gezegd - wat hetzelfde is - heb lief. Dat is de enige boodschap: de liefde als enige deur tot zekerheid. De liefde die je de dingen als een wonder laat zien, maar ook maakt dat de pijnlijke vragen, de hopeloze vragen over lijden of vrijheid, ook oplossen, zonder dat er een concreet antwoord op gegeven wordt.

In dezelfde toespraak, na de dialectiek van het "Kindertraantje", wanneer Iwan ontredderd achterblijft en ook Aljosha ontredderd is, zegt Zosima ook, als hij het lijden van Job aanhaalt: Het is misschien het grootste mysterie van het leven dat de meest bittere tranen van wanhoop uiteindelijk tranen kunnen worden van stille ontroering en vermorzeling des harten. Meer niet.

Stille ontroering en vermorzeling des harten. Eigenlijk als een gebeuren. Vermorzeling doordat mijn neiging - of die van Iwan - om toch een greep te krijgen op dat probleem, op elk probleem, religieus of op een ander terrein, stuk breekt, en dat gaat altijd gepaard met tranen. Dat is vermorzeling. Zoals de figuren van Dostojewsky nog kunnen en durven huilen, en durven breken. Alleen dan gaat het andere open, dat wat onnoembaar is. Waar hij dus alleen maar stamelend, elke keer weer, over praat. Vooral, heel vaak, vanuit hat begrip "liefde", wat natuurlijk ook een glad begrip is. Net als "aandacht , als "zien", als "schoonheid".

In dezelfde tekst springt hij soms van het ene begrip op het andere over om aan te geven wat die houding is. Iwan ziet dat Zosima zeer nuchter en concreet denkt. Hij verliest zich niet in bespiegelingen, in theologische reflecties, maar wijst de mensen op de dagelijkse praktijk, Wat doe ik hier en nu? Naarmate ik er meer, hier en nu, bij ben, kom ik uit die cocon die altijd tussen mij en de werkelijkheid in staat, als een muur van twee keer twee is vier, de muur van de natuurwetten, de muur van mijn overtuigingen, de muur van mijn mechanismen. Alleen dan. Het is de enige raad die hij geeft, of iemand lijdt aan het probleem van de onsterfelijkheid, of aan ongeloof, of aan angst, of aan schuldgevoel; alleen dit. Zonder te preciseren wat God eigenlijk is.

Ja, hij zegt één ding, en dat zal ik dadelijk voorlezen. Dat is het oneindige, grenzeloze mededogen. Haar eerst - het komt voor in dezelfde toespraak - een soort apotheose, Bij monde van Zosima laat Dostojewsky nog eens samenvatten, als aan getuigenis, waar het om gaat. Als je liefhebt, dan ben je al met God verzoend. Met liefde wordt alles vrijgekocht, alles gered. De liefde is zo'n onmeetbare rijkdom dat ja er de hele wereld mee kunt vrijkopen. Niet alleen je eigen zonden, maar ook die van anderen. Kies daarom altijd de weg van de liefde, de aandacht, het zien, het er bij zijn, Andacht. De lankmoedige liefde is een ontzagwekkende kracht, die haar gelijke niet heeft.

Bemin heel Gods schepping, in haar geheel en in eik afzonderlijk deel. Bemin elk zandkorreltje, elk blaadje, elke zonnestraal. Bemin de dieren en de planten. Bemin elk ding. Want als je elk ding liefhebt zul je het goddelijk mysterie van de dingen begrijpen. Van dat moment af zul je er steeds dieper in doordringen. Ten slotte zul je heel de wereld beminnen met een allesomvattende, universele liefde. Die allesomvattende en universele liefde lost tegelijk jouw eeuwige vragen op, de vragen waar je bewustzijn aan knaagt. Het doet er niet toe of je het een sprong noemt, of overgave, of iets anders.

Mijn jongere broer vroeg de vogels om vergiffenis. Dat lijkt zinloos, maar wat hij deed was juist. Alles staat met elkaar in verband en stroomt voort als de golven van de oceaan. De schok die je op één plaats veroorzaakt wordt merkbaar aan het andere eind van da wereld. Alles is als in een oceaan. Daarom is het zeer wel mogelijk om, vol van een universele liefde en in een soort verrukking, tot de vogels te bidden en hen te vragen jou alles te vergeven, al je zonden. Heb eerbied voor een dergelijke geestdrift, hoe onzinnig die ook in de ogen van de mensen is.

Als alle mensen je laten staan en je zelfs met geweld verjagen, werp je dan neer en kus de aarde en maak die nat met je tranen. Door jouw tranen zal de aarde vrucht dragen, al zal niemand je horen en zien. Stel er een vreugde in jezelf op de aarde te werpen en die te kussen, als Marja Libjatnika in "Demonen" (de tekst waar Guardini over struikelde), Bedek de aarde met jouw kussen. Heb haar lief met een onuitputtelijke liefde. Zoek de verrukking, de extase van de liefde. Bevochtig de aarde met je vreugdetranen, en heb deze tranen lief. Schaam je niet voor deze overmatige verrukking, maar stel haar integendeel hoog, want zij is een grote gave van God.

Voor Dostojewsky is deze liefde niet alleen iets wat van ons uitgaat. Zij is niet enkel een houding die wij leren en beoefenen. Waar van Gods zijde dan iets anders tegenover staat. Dat benadrukt hij ook. De universele liefde is een uitdrukking die heel dicht komt bij de allerdiepste grond waar wij het over hadden. Dezelfde liefde gaat ook naar ons uit. Die liefde wordt vaak aangeduid als de oneindige barmhartigheid, de alvergeving. Op dit vlak komen Fortmann en Dostojewsky sterk met elkaar overeen - Fortmann die steeds maar zegt: er is niets in ons dat niet verlost kan worden en het licht kan zien. Neem "Schuld en Boete", als het gaat over Marmaladov, de kapitein die weet dat zijn dochter een hoertje is en werkt om voor hem geld te verdienen. Geld dat hij dan verdrinkt, totdat hij er niet meer uitkomt. Zijn onmacht is sterker dan hijzelf, en ondanks dat blijft hij putten uit een bijna grenzeloos vertrouwen, tegen alle beter weten in.

Hij spreekt dan over het einde der tijden. God zal allen oordelen en vergeven, de goeden en bozen, de wijzen, de zachtmoedigen. Wanneer hij daarmee gereed is, zal hij ook ons roepen. Komt, zal hij zeggen, komt, ook jullie, dronkenen, komt jullie zwakken, jullie schaamtelozen. En wij zullen allen komen zonder ons te schamen, en wij zullen voor Hem staan. De wijzen en verstandigen zullen roepen: Heer, waarom neemt U ook die aan? En Hij zal zeggen: Daarom neem Ik hen aan, om het falen van hun ego; daarom neem Ik hen aan, omdat niet één van dezen zichzelf ooit hiertoe waardig heeft bevonden. Dat is de erkenning van de onmacht. En die erkenning is de redding. Hij zal Zijn handen naar ons uitstrekken, en wij zullen ter aarde vallen en wenen en alles begrijpen: Heer, Uw Rijk kome.

In de roman "De Jongeling" zegt iemand: Christus vergeeft alles. Hij vergeeft je ook jouw laster en zelfs verschrikkelijkere dingen. Hij is een Vader voor ons. Hij heeft niets van ons nodig en zal zelfs in onze diepste duisternis stralen. De tekst die Tichon uitspreekt tot Stavroki, die naar de mens gesproken mislukt is, is ook vol barmhartigheid: Zelfs als jij jezelf niet kunt vergeven, zelfs dan mag je vertrouwen, totaal.

Aan het eind van zijn leven, in de grote afscheidsrede, vat Dostojewsky alles nog een keer samen, Waarschijnlijk is er geen hoopvoller geluid. In de Orthodoxe vesperdienst, zoals gisteravond, voel ik dit ook altijd heel duidelijk doorklinken. Neem ook Zosima, van wie gezegd is dat, naarmate iemand meer en meer in zonden verstrikt raakte, hij zich des te meer aan die iemand ging hechten. En dan opmerkt: heb geen angst om je zonden, ook al besef je de zwaarte daarvan. Je moet voor niets en niemand ooit bang zijn en niet tobben. Zolang je berouw, je inzicht, nog niet is opgedroogd, vergeeft God alles.

Er is op de wereld geen zonde die God niet zou vergeven aan hem, die oprecht berouw heeft. De mens is helemaal niet in staat een zo grote zonde te bedrijven dat hij daarmee de eindeloze liefde van God zou uitputten. Kan er een zonde bestaan die de liefde van God te boven zou gaan? Doe alleen onophoudelijk boete, Maar wees geen ogenblik bang. Je moet geloven dat God je meer liefheeft dan jij zelf denkbaar acht. Hij heeft jou mét je zonden, en zelfs in je zonden, lief, niet ondanks maar in je zonden.

Als ik, een even zondig mens als jezelf, mij al over je ontferm en medelijden met je heb, hoe oneindig veel meer zou God zich dan ontfermen. Hij is toch veel barmhartiger dan één van ons. Heb dus geen angst voor de zonde die iemand begaat. Bemin hem, ook in zijn zonden. Een dergelijke liefde komt de liefde Gods nabij en is de hoogste vorm van liefde op aarde.

Aan het eind van de roman - Zosima is dan dood - wordt een prachtige Russische legende verhaald. U kent die misschien. Het gaat over een vrouw - iemand die eigenlijk maar raak leeft, keihard is en geen enkel mededogen kent - die één keer in haar leven aan een arme een uitje geeft. Ze sterft en valt dan in een diepe duisternis. Ze strekt haar handen uit om iets te grijpen en ze voelt dan dat uitje. Aan dat uitje wordt ze opgetrokken. En mét dat ze wordt opgetrokken, komen er anderen die zich aan haar vastklampen. In "De Gebroeders Karamazov" komt dit verhaal een keer of drie, vier ter sprake.

Het meisje - het halve hoertje - op wie de vader van Iwan en Dimitri verliefd zijn, en met wie Dimitri uiteindelijk een verhouding krijgt en die met hem mee naar Siberië gaat, die zegt op een zeer ontredderd moment, als ze half dronken is: we hebben allen slechts een uitje gegeven. Wij kunnen uit onszelf niets doen. En dan Aljosha in zijn vertwijfeling na de dood van Zosima. Als naïeve seminarist weet hij niet anders - hij heeft het zo geleerd - dan dat een heilige na zijn dood niet zal ontbinden. Hij ziet dan dat Zosima gaat ontbinden. De andere monniken in het klooster, die het beter weten, wijzen hem daarop. Aljosha vlucht dan naar het dubbelzinnige vriendinnetje van zijn vader en zijn broer, zonder te weten waarom.

Daarna gaat hij naar buiten en heeft een droom. Een droom waarin Zosima tot hem komt. Hij hoort dan van Zosima, na diens dood, hoe oneindig barmhartig God is, de barmhartigheid die steeds weer genoemd wordt in de liturgie. Waarom kijk je me zo verbaasd aan? Ik heb enkel een uitje gegeven. Daarom ben ik hier in het licht. Geen van os kan meer geven dan dat.

Dat is het. Wat betekenen onze werken? Er is geen bevrijdender woord mogelijk op de vraag: Wat ga ik doen als ik geen enkele kant meer uit kan. Wees niet bang voor God. Hij is ontzagwekkend, omdat Hij zo groot is. Ontzagwekkend - mysterium tremendum - die uitdrukking wordt, denk ik, vaak verkeerd vertaald. Mysterium tremendum et fascinans: een mysterie dat je bijna beangstigt om zijn grootheid. Niet omdat het bedreigend is, maar omdat het onze zekerheden oplost. Zoals Hans Andreus dit beschrijft in "Een klein boek om het licht heen". Het moment waarop je voelt: Ik ben er even uit, de val uit mijn ik, en voorts: de angst dat het licht niet houdt, want licht ia niet hard; je kunt er niet op staan. Het heeft geen vaste bodem. Het is een sprong. Het is je laten vallen. Het is de zekerheden kwijtraken. Ontzagwekkend - mysterium tremendum et fascinans - omdat Hij groot is en verheven. Maar Hij is ook daarin eindeloos barmhartig> En Hij varwacht altijd weer nieuwe gasten. Hij nodigt voortdurend weer anderen uit. En zo tot in alle eeuwigheid.

Ten slotte zou ik nog iets willen zeggen over de stilte en het gebed. Ik zal er niet diep op ingaan; het zijn thema's die in de lezing na mij worden behandeld.

Alleen dit. Dostojewsky ontving zijn spirituele groei deels van een monnik uit het Optina Pustin, een monnik die het Jezus-gebed beoefende. Het stil zijn, als tegenstelling tot de verschrikkelijke jacht waarin wij ons vaak bevinden. De moed te hebben om rustig te zijn, om stil te zijn. Dit is eigenlijk weer de aandacht, de verwondering waar wij het over hebben. Heel vaak jagen we voor onszelf uit. Het leven is te luidruchtig. wij worden niet meer stil, zegt iemand letterlijk in "De Idioot" Dit wijst ons heen naar de houding van het gebed. Het is onze jacht, het najagen van onze doelen, dat de fonteinen das levens doet verstikken.

Ik zal het hierbij laten. Ik hoop echter één ding Voor mijzelf is het ook steeds weer bevrijdend de teksten van Dostojewsky over aandacht en verwondering te lezen. Over de ontroering en de vermorzeling des harten, de ontdekking dat de meest gewone dingen wonderlijk zijn. De houding van liefde en aandacht en zien. Dit te ontdekken ook in je eigen leven.

Dit vormt het einde van het oeuvre van Dostojewsky. De verschrikkingen waar hij mensen mee confronteert zijn bedoeld om ze los te maken uit de cocon van hun zekerheden. Het wijzen op de weg van liefde en schoonheid is eveneens een losmaken uit de cocon van zekerheden. Het gaat uiteindelijk om hetzelfde.

Ooit werd mij gevraagd op een lezing: welke weg moeten wij kiezen? De harde weg? De weg met de onoverkomelijke problemen, waar je met tranen op te pletter loopt en door wanhoop heen moet? Of de weg van de zachtheid en de verwondering? Ik denk dat Dostojewsky wil suggereren dat we nooit kunnen kiezen. Het komt op onze weg. Hij bedoelt nooit te zeggen: Dit is een wetmatigheid. Het lijkt soms zo, omdat hij zijn figuren door da geschetste situaties heen laat gaan. Ze zijn zijn eigen ervaringen. Het lijkt soms of het een wetmatigheid is.

Dat we moeten stukbreken op onze zekerheden is een feit, voor ons allemaal. Maar hoe, dat zal het leven ons leren. De weg van de vreselijk moeilijke problemen, of de weg van de ontroering, de zachtheid en de verwondering: wij kunnen geen van beide oproepen. Als we één van de twee bewust gaan opzoeken, dan wordt de weg een middel. Dan ga je misschien problemen zoeken, onaanvaardbare en onoplosbare problemen als een truc om door te breken. Dostojewsky maakt duidelijk dat wij dat niet kunnen. Onze onmacht gaat zover dat wij niet kunnen kiezen voor een techniek om door te breken. Ook dat is aanvaarding, aanvaarding van wat op je weg komt. Het is precies dat wat Zosima in zijn laatste toespraak ons probeert duidelijk te maken.





Site Meter